Specifieke natuurdoelen

De verbinding van de leefgebieden is prioritair. Die zorgt zowel voor een buffering voor de leefgebieden als een betere leefbaarheid voor dieren en planten. De bestaande heidekernen moeten worden versterkt door uitbreiding, kwaliteitsverbetering en verbinding van de geïsoleerde delen. Voor de bossen is het behoud van de oppervlakte en een verbetering van de kwaliteit belangrijk. Ook de waterhuishouding in het gebied verdient meer aandacht, omdat vele leefgebieden voor hun unieke fauna en flora afhankelijk zijn van het grondwater.

Dit zijn de specifieke natuurdoelen voor gebied 'Turnhouts vennengebied':

Droge Bossen - BE21000024

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Naast behoud van de actuele habitatwaardige oppervlakte van 4 ha (in een ruimere boskern) een uitbreiding (louter door omvorming) met 13 ha (al dan niet in complex met 9190). Door voortschrijdende successie van eikenberkenbossen is natuurlijke toename van dit bostype in de SBZ te verwachten.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige oppervlakte beoogd door:

  • verminderen atmosferische depositie
  • exotenbeheer
  • maximaal behoud dikke bomen en dood hout
  • mantel- en zoombeheer
  • open plekken-beheer
  • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
  • goede verticale en horizontale structuur
Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Behoud van de habitatwaardige oppervlakte van 3 ha in een boskern van 15-150 ha.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige oppervlakte beoogd door:

  • verminderen atmosferische depositie
  • tegengaan eutrofiëring (instroom, inspoelen)
  • mantel- en zoombeheer
  • open plekken-beheer
  • exotenbeheer
  • maximaal behoud dikke bomen en dood hout
  • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
  • goede verticale en horizontale structuur

De kwaliteitsverbetering van de habitatvlek dient gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het eikenberkenbos waar deze is ingebed op basis van een bosbeheer conform de geldende duurzaamheidscriteria.

Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Naast behoud van de actuele oppervlakte 9190 aan 21 ha (in een ruimere boskern) uitbreiding (louter door omvorming) van eikenberkenbossen met 290 ha. Deze omvorming (al dan niet in complex met 9120) kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1 (110 ha) en 5, 7, 8, 9, 13, 18 (samen 180 ha). Door het ouder worden van de eikenberkenbossen die actueel een onvoldoende leeftijd vertonen om aan de strikte definitie van dit habitattype te voldoen, zal de oppervlakte van dit habitattype stijgen.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI en een kwaliteitsverbetering van de eikenberkenbossen beoogd door:

  • verminderen van de atmosferische depositie
  • verminderen luchtvervuiling
  • tegengaan eutrofiëring (bemestingsinvloeden)
  • herstel lokale hydrologie (voor de vochtige variant)
  • grote structuurvariatie (verticaal/horizontaal)
  • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
  • exotenbeheer
  • mantel- en zoombeheer
  • open plekken-beheer
  • maximaal behoud dikke bomen en dood hout
Omschrijving populatiedoelstelling

Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De soort komt ook tot broeden in kapvlaktes, aanplantingen, open naald- of gemengd parkachtig bos op zandige bodem, afgewisseld met korte vegetaties.
Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/open plekken met:

  • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden (? 50 m)
  • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
  • voldoende structuurvariatie
  • open plekken-beheer in de bestanden
  • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)
  • recreatieve zonering
Omschrijving populatiedoelstelling

Ten aanzien van het voorkomen van de aangemelde soorten vleermuizen (zie Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Franjestaart, Laatvlieger) is er een kennislacune (populatiegrootte, e.d.). Eenzelfde kennislacune is er ten aanzien van vastgestelde, maar voor deze SBZ niet aangemelde Myotis- en Plecotus-soorten (zonder uitzondering allemaal Bijlage II en/of IV-soorten).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere (aangemelde) vleermuissoorten zijn gesteld.

Omschrijving populatiedoelstelling

De soort komt na recente kolonisatie met 1 bp tot broeden in de SBZ. Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De soort is gebonden aan oude, structuurrijke, vochtige loofbossen. Met veel dood hout en loofhout met een ruwe stam, waarin zich grote insecten kunnen ophouden. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

  • grote structuurvariatie
  • herstel lokale hydrologie
  • groot aanbod staand dood hout en of dikke zijtakken, ruwe stammen
  • lange bosbezetting (dikke bomen)
  • voldoende grote habitatvlekken
Omschrijving populatiedoelstelling

Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ naar een kernpopulatie van ? 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Hoewel de soort kenmerkend is voor het heidelandschap, kan deze (broedend) voorkomen in open plekken of bosranden in naaldbossen op zandige bodem. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

  • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden
  • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
  • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/of open plekken
  • open plekken-beheer in de bestanden
  • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)
Omschrijving populatiedoelstelling

Behoud van de huidige populaties.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Een goede tot voldoende LSVI wordt beoogd door:

  • beheer van bossen met bijzondere aandacht voor oude bomen, open plekken en geleidelijke bosranden:
    • minimaal 10 % open plekken in de bossen met een natuurgericht beheer
    • minimaal 5 % open plekken in de private bossen (cf. Criteria Duurzaam Bosbeheer)
  • voldoende kwalitatieve loofbossen en parkgebieden in de omgeving van de foerageergebieden
  • toename van het aantal (oude) bomen met spleten, holten, scheuren
  • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
  • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen
Omschrijving populatiedoelstelling

Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie (ca. 3 bp).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Wespendief verkiest grote, oude(re) loofbossen met open stukken. Lokaal kan de soort broedend voorkomen in naaldbossen met heideondergroei. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

  • laten verouderen van de bestaande loofbossen
  • omvormen van een deel van de naaldhoutbestanden naar zuurminnend eikenberkenbos (9190)
  • lokaal nastreven ijl naaldbos met heideondergroei (heidebos)
  • recreatieve zonering
Omschrijving populatiedoelstelling

Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ tot ? 30 bp (i.f.v. een goede lokale SVI).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De soort verkiest oude, aaneengesloten bossen (naald, gemengd, loof) met een hoog aandeel beuk, afgewisseld met open ruimten.

  • In het heidelandschap behaalt de soort vooral in zeer ijle naaldbossen met heidesoorten in de ondergroei (‘boomheide’) hoge broeddichtheden.
  • Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd van het leefgebied o.a. door:

    • laten verouderen van de bestaande loofbossen
    • behoud van een deel van de naaldhoutbestanden
    • behoud van voldoende dik, staand dood (naald)hout
    • recreatieve zonering
    • behoud en ontwikkeling open plekken (kaalkap, brandwegen, zomen) en nastreven ijle structuur in de ‘droge bossen’
  • Droge Bossen – SBZ-V BE2101538

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Boomleeuwerik komt in het vogelrichtlijngebied tot broeden in de omgeving van het kasteeldomein Schrieken, gemeentebos Wegmeerheide en de maatregelen tot landinrichting in de rvk Weelde. Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De soort komt als typische heidevogel ook tot broeden in kapvlaktes, aanplantingen, open naald- of gemengd parkachtig bos op zandige bodem, afgewisseld met korte vegetaties.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/open plekken met:
      • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden (? 50 m)
      • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
      • voldoende structuurvariatie
      • open plekken-beheer in de bestanden
      • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)
    • recreatieve zonering
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Middelste bonte specht komt na recente kolonisatie met 1 bp voor in de SBZ. Minimaal behoud van de huidige populatie.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De soort is gebonden aan oude, structuurrijke, vochtige loofbossen. Met veel dood hout en loofhout met een ruwe stam, waarin zich grote insecten kunnen ophouden.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • grote structuurvariatie
    • herstel lokale hydrologie
    • groot aanbod staand dood hout en of dikke zijtakken, ruwe stammen
    • lange bosbezetting (dikke bomen)
    • voldoende grote habitatvlekken
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ naar een kernpopulatie van ? 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Hoewel de soort kenmerkend is voor het heidelandschap, kan deze (broedend) voorkomen in naaldbossen op zandige bodem.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
    • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/of open plekken
    • open plekken-beheer in de bestanden
    • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)

    De doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor Boomleeuwerik.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort komt enkel broedend voor in delen van het vogelrichtlijngebied die overlappen met habitatrichtlijngebied. Daarbuiten zijn heden geen broedgevallen bekend. Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie (ca. 3 bp).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • bossen met voldoende variatie aan (loofboom)soorten, voldoende oude bomen, dreven en open plekken
    • het beheer van de bossen moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer

    Deze doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor zwarte specht.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Zwarte specht komt in de SBZ-V voor met 4-5 bp (gemeentebos Wegmeerheide, Overbroek, domeinbos Ravels Noord en Zuid). Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ tot ? 30 bp (i.f.v. een goede lokale SVI).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • bossen met voldoende variatie aan (loofboom)soorten, voldoende oude bomen, dreven en open plekken
    • het beheer van de bossen moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer

    Deze doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor Wespendief.

    Heidelandschap - BE21000024

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte aan 2310 bedraagt 25 ha (21 ha en 4 ha ingericht via LIFE en NI). De actuele oppervlakte aan 2330 bedraagt 24,05 ha (7,15 ha en 16,9 ha ingericht via LIFE en NI). Toename van 2310 en 2330 (in complex) met 2 ha in deelgebied 5 en met 25 ha in deelgebied 1. Toename van 2310 en 2330 is mogelijk door omvorming van beboste landduinen en (aanvullend) het nastreven van 30-40% open plekken in bos op bodems zonder profiel, voor 2330 ook door herstelbeheer vanuit landbouw. Belangrijk hierbij is dat de aanwezigheid van de verschillende subtypes wordt verzekerd: enerzijds het subtype 2330_bu (buntgrasverbond), anderzijds het subtype 2330_dw (dwerghaververbond). Het belang van deze SBZ voor het behoud van subtype dwerghaververbond in Vlaanderen wordt als hoog ingeschat. Binnen het dwerghaververbond is er in deze SBZ een lokale variatie tussen een mineraalarm en (zeer bijzonder) mineraalrijk type. Bij herstel van 2330 dient bijzondere aandacht uit te gaan naar het mineraalrijke type 2330_dw. De bermen met habitats hebben hierbij een verbindende, maar ook belangrijke reservoirfunctie.In functie van het verzekeren van een actieve windwerking en spontane dynamiek worden deze landduinhabitats in eerste instantie best ingebed in een matrix met andere schrale open vegetaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale lokale SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

    • behoud van de aanwezige vegetaties van het subtype 2330_dw op brandwegen en andere open zandige plekken die geen duinzand zijn (vlakvormige toename op aanpalende percelen)
    • verminderen van eutrofiëring en/of verzuring
    • recreatieve zonering
    • nastreven van de verschillende typische successiestadia op landduinen, met klemtoon op het behoud van open zand. Dit impliceert aanwezigheid van een zekere dynamiek (door begrazing, windwerking, plaggen van vergraste zones).
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte aan 3110 bedraagt 0,5 ha + 7,3 ha (ingericht via LIFE en NI) = 7,8 ha + toename met 4,5 ha = ca. 12 ha. De oppervlaktetoename van 3110 kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 5 en 7 (beperkte opp.). De vennen kunnen er ontwikkeld worden in een matrix met 4010, 7110, 7140 en 7150. In functie van habitatherstel en -ontwikkeling: behoud van niet-habitat-waardige oppervlaktewaterlichamen. De abiotiek (voornamelijk voorkomen op minerale bodem) laat geen toename van het habitat toe buiten de gekende zones (5 en 7).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
    • herstel natuurlijke hydrologie en hydrografie
    • herstel natuurlijke wind- en waterpeildynamiek
    • boom-en struikvrije, droogvallende oevers
    • minimaal voorkomen invasieve exoten
    • geïntegreerd beheer zomerganzen
    • tegengaan sedimentatieopbouw

    samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.
    Bij herstel van de natuurlijke hydrologie en het weren van bemesting in de hydrologische intrekzones is er mogelijkheid tot herstel van historisch verdwenen vennen en kwaliteitsverbetering van de bestaande vennen.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte 3130 bedraagt 30,6 ha + 10 ha (ingericht via LIFE en NI) = 41 ha + toename met 17 ha = 58 ha. Toename van de bestaande oppervlakte tot voldoende grote clusters van dit habitattype. Indien het habitattype samen voorkomt met heikikker worden clusters van > 5 ha tot doel gesteld. Waar heikikker niet voorkomt, is 0,5 – 5 ha voldoende. De oppervlaktetoename van 3130 kan vooral gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 5, 6 en 13. De vennen kunnen er ontwikkeld worden in een matrix met 4010, 7110, 7140 en 7150.In functie van habitatherstel en -ontwikkeling: behoud van niet-habitat-waardige oppervlaktewaterlichamen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
    • herstel natuurlijke hydrologie
    • herstel natuurlijke wind- en waterpeildynamiek
    • boom-en struikvrije, droogvallende oevers
    • minimaal voorkomen invasieve exoten
    • geïntegreerd beheer zomerganzen

    samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.In de deelgebieden 8, 9, 10, 1, 12, 13 en 16 wordt specifiek een kwaliteitsverbetering van de aanwezige vennen nagestreefd. De actueel niet-habitatwaardige vennen in de Nieuwe Bossen (4) moeten ontwikkeld worden als leefgebied voor hei- en poelkikker.

    Bij herstel van de natuurlijke hydrologie en het weren van bemesting in de hydrologische intrekzones is er mogelijkheid tot herstel van historisch verdwenen vennen en kwaliteitsverbetering van de bestaande vennen.

    Oppervlaktedoelstelling
    =
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte aan 3160 bedraagt minstens 1,9 ha. Het habitattype is aanwezig in deelgebieden 7 en 8. Gezien de zeer specifieke standplaatsfactoren wordt een globaal kwalitatief behoud van de actuele oppervlakte voorop gesteld. Toename is weinig evident. In het Kijkverdriet (7) dient de habitatvlek van 0,2 ha behouden in een ven met een totale oppervlakte van minstens 0,5 ha. In de Grote Poeierling (8) dient de habitatvlek van 0,9 ha behouden in een ven met een totale oppervlakte van minstens 1,2 ha. Vennen zijn natuurlijke, ondiepe plassen met zwak tot niet-gebufferd en voedselarm water. BWK-code: ao of aoo.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in de waterleverende gebieden)
    • herstel natuurlijke hydrologie (maximaliseren voeding: oppervlakkig afstromend water en neerslag)
    • tegengaan verlanding (kleinschalig uitvenen, met aandacht voor aanwezige bultvormende veenmossen)
    • boom-en struikvrije oevers
    • minimaal voorkomen invasieve exoten
    • geïntegreerd beheer zomerganzen

    samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte 4010, lokaal in complex met 7150, bedraagt (ingericht, al dan niet in mozaïek met 7150 via LIFE en NI) 149 ha. Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede lokale SVI wordt een toename met 81 ha beoogd. De toename van 4010 kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 3, 5 en 7 door omvormingsbeheer vanuit bos en herstelbeheer vanuit landbouw (door afgraving, uitmijning of enig ander verschralingsbeheer). Samen met de toename van de oppervlakte vochtige heide zal de oppervlakte aan veenvegetaties toenemen (zie 7110, 7140 en 7150). De actuele oppervlakte aan 7150 in het gebied bedraagt 2 ha. Een oppervlaktetoename met 1,5 ha voor de SBZ wordt vooropgesteld, waarbij een koppeling met ontwikkeling van 3130 en 4010 wordt gezocht. De totale beoogde oppervlakte voor 7150 is ca. 4 ha. De toename van 7150 kan zowel op plagplekken als hoogdynamische natuurlijke groeiplaatsen (bv. periodiek overstroomde oevers van vennen).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI voor 4010 nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

    • tegengaan verzuring en eutrofiëring
    • geïntegreerd beheer zomerganzen
    • tegengaan vegetatiesuccessie (incl. herstelbeheer)
    • recreatieve zonering
    • herstel natuurlijke hydrologie
    • aanwezigheid verschillende ouderdomsstadia

    Specifiek dient in deelgebieden 10, 11, 12, 16 een gericht beheer ingesteld in functie van 4010 en habitattypische soorten van natte heide (en het actueel onaangepast beheer in 10, 11 en 12 opgeheven).

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd voor 7150 door:

    • behoud van pioniervegetaties onder de vorm van variabele plagplekken
    • behoud en herstel van periodiek overstroomde zandige oevers van sommige vennen
    • herstel natuurlijke hydrologie (realiseren van een voor dit type geschikte waterhuishouding, behoud natuurlijke waterpeilschommelingen
    • tegengaan verdroging
    • tegengaan eutrofiëring
    • geïntegreerd beheer zomerganzen
    • tegengaan verzuring

    De voor 7150 nagestreefde kwaliteitsverbetering is gelinkt aan een kwaliteitsverbetering van de natte heideterreinen waar het habitat voorkomt.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte 4030 bedraagt 59 ha + 17 ha (ingericht via LIFE en NI) = 76 ha.Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede SVI wordt een toename met 172 ha beoogd, waarvan 1 ha in deelgebied 3, 36 ha in deelgebied 5 en 135 ha in deelgebied 1. Een kwaliteitsvolle toename kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 3 en 5 door omvormingsbeheer van naaldhoutaanplanten en herstelbeheer vanuit landbouw. Ontwikkeling van droge heide kan in bovenstaande gebieden in een matrix met 2310, 2330 en 6230_hn. Hierbij dient gestreefd naar het verzekeren van voldoende interne samenhang tussen de verschillende droge heidegebieden. Er wordt gestreefd naar minimaal 3 droge heidekernen met een grote interne samenhang. Daarbuiten wordt gestreefd naar habitatvlekken met een minimale oppervlakte om tot een voldoende SVI te kunnen komen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    In alle deelgebieden dienen droge heidehabitats minstens kwalitatief versterkt. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI nagestreefd door:

    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • tegengaan vergrassing
    • tegengaan verzuring en eutrofiëring
    • recreatieve zonering
    • aanwezigheid verschillende ouderdomsstadia
    • behoud van pioniervegetaties onder de vorm van variabele plagplekken

    Daarnaast dient in deelgebieden 10 en 16 een gericht beheer ingesteld in functie van 4030 en habitattypische soorten van droge heide.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte aan 6230 bedraagt 42,5 ha + 10ha (ingericht via LIFE en NI) = 52,5ha. Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede SVI wordt een toename beoogd met 99 ha. Belangrijk is dat in deze kernen de lokale variaties naar subtypes (6230_ha, 6230_hn en 6230_hmo incl. ‘6230_hmo_kwel’ en ‘6230_hmo_klei’ ) maximaal worden aangesproken (al dan niet in complex).De toename kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1 (84 ha), 3 (1 ha), 5 (12 ha) en 7 (2 ha) door omvormingsbeheer vanuit naaldhoutaanplanten, herstelbeheer vanuit landbouw of vanuit voedselrijkere graslandtypes in natuurbeheer. De bermen waarin habitats voorkomen hebben hierbij naast een verbindende, een belangrijke reservoirfunctie.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI nagestreefd door:

    • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied, is van belang voor de lokale kwelgevoede subtypes)
    • herstel natuurlijke hydrologie
    • recreatieve zonering
    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • aangepast maai- en graasbeheer
    • kleinschalig plaggen
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    In het veengebied van de Liereman (1) komen nog oppervlakten bultvormende veenmossen voor, in combinatie met 7150 en natte venige heide (4010). De potenties voor 7110 beperken zich louter tot het veengebied van de Liereman (1). Toename waar mogelijk, gelet op de lange ontwikkelingstermijn en de beperkingen van het fysisch milieu, door ontwikkeling van lokale hoogveenelementen in overgangsveen (7140_oli). Er wordt een intact veenlichaam (7140_oli) met hoogveenelementen met een oppervlakte van ? 2,5 ha beoogd. Het veenlichaam is gelegen in een voldoende groot, niet-voedselrijk moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Minstens behoud van de actuele kwaliteit van de lokale hoogveenelementen in overgangsveen (7140_oli) door:

    Herstel van hoogveen is in principe mogelijk via natuurtechnische ingrepen: in eerste instantie door het herstel van de waterhuishouding en het verzekeren van een goede waterkwaliteit.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte aan 7140_oli bedraagt 8 ha. De actuele habitatwaardige oppervlakte aan 7140_meso in het ‘heidelandschap’ bedraagt eveneens 8 ha (in herstel). Voor veenvegetaties in het heidelandschap wordt een toename met 17 ha beoogd (complex van 7140_oli en 7140_meso). De toename kan gerealiseerd worden in deelgebied 1 (13 ha), 2 (1 ha), 7 (2 ha), 2 (1 ha) en 17 (1 ha). De habitats zijn ingebed in voedselarme moerassen met een voldoende grote oppervlakte. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • herstel natuurlijke hydrologie (verzekeren stabiel peil)
    • verzekeren constante voeding (zeker indien grondwatergevoed)
    • verstoringen waterhuishouding tegengaan
    • tegengaan eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
    • tegengaan vegetatiesuccessie (incl. ophalen achterstallig beheer: verbossing en verrruiging)
    • recreatieve zonering
    • kleinschalig plaggen of baggeren (aanwezigheid verschillende verlandingsstadia)

    De globaal nagestreefde kwaliteitsverbetering van de habitatvlekken impliceert een parallelle kwaliteitsverbetering van de moerassen waar deze voorkomen.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Genoemde eendensoorten frequenteren tijdens de winter en in de trek de grote(re) vennen. De kwaliteitseisen voor deze soorten in het ‘heidelandschap’ worden o.a. gedekt door de doelen voor de habitats 3110, 3130 en 3160. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven. Bergeend lift ook mee met de doelen voor 2310, 2330, 4030, 4010_7150 en 7110.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitbreiding in de SBZ van de broedpopulatie tot 50-60 bp (i.f.v. een voldoende lokale SVI

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Blauwborst lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160, 4010/7150 en 7140. Een goede tot voldoende lokale SVI wordt beoogd door voldoende kwalitatief leefgebied, zowel in de moerasgebieden als in de veen– en heidegebieden.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort overwintert jaarlijks in lage aantallen in het gebied. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
    Blauwe kiekendief komt voor een brede keur aan open landschappen: wei- en akkerland, kapvlaktes, aanplantingen, moerasgebieden, heidevelden en venen.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • voldoende kwalitatief foerageergebied (waaronder heidevelden)
    • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ
    • kwaliteit van de slaapplaats(en) behouden door het garanderen van voldoende rustgebieden
    • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.

    De potenties voor blauwe kiekendief kunnen toenemen bij een verdere kwaliteitsverbetering van veen- en heideterreinen (bij uitbreiding de moerasgebieden), maar ook bij een toename van het voedselaanbod in aangrenzend, extensief cultuurlandschap met natte, schrale graslanden.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort komt in SBZ-H tot broeden in de deelgebieden 1, 3, 5, 7, 8, 9 en 13. Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
    • behoud van het open zandig karakter van een aantal brandwegen
    • behoud van de rustgebieden
    • inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide. De soort is ook gebaat bij brede schrale bermen langsheen deze zandwegen.
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Toename op de gekende vindplaatsen (3, 5) van de populatiegrootte tot meer dan 1.000 planten per populatie. Terugkeer van duurzame populaties op recent verdwenen groeiplaatsen (7) tot meer dan 1.000 planten per populatie (populatiestructuur > 50 m2 en bloeiende planten en vruchten aanwezig). Uitbreiding van de bestaande populatie in de vallei van de Wamp (stroomafwaarts buiten de SBZ) tot de vallei en waterpartijen in de SBZ-V (16), tot één grote aaneengesloten populatie of verschillende structureel samenhangende groeiplaatsen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd, gekoppeld aan een kwaliteitsverbetering van 3130 en 3260.

  • maximaal herstel van natuurlijke hydrologie in de inzijggebieden van de vennen
  • behoud en/of herstel waterkwaliteit vennen (ionenarm water met zeer lage ammoniumconcentratie)
  • tegengaan eutrofiëring en verzuring (ook in het waterleverend gebied)
  • in stand houden van pioniersmilieus (opbouw sliblaag tegengaan, verzekeren voldoende windwerking)
  • gefaseerd ruimingsbeheer in 3260
  • behoud en/of herstel waterkwaliteit 3260
  • Omschrijving populatiedoelstelling

    Satellietpopulatie in het Turnhouts Vennengebied (3, 5) met vestigingsmogelijkheden voor bijkomende satellietpopulaties in Liereman-Korhaan (1) en Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor(7). Er wordt per populatie een voldoende populatiegrootte beoogd voor een gunstige lokale SVI: voortplantingsbewijs en ? 10 adulten of geen voortplantingsbewijs en ? 20 adulten. Streven naar clusters van geschikte waterrijke gebieden die fungeren als leefgebieden.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (vennen en verlandingsvegetaties zoals vermeld bij 3130 en 7140_oli).
    Verbetering van de kwaliteit in de aanwezige cluster van verlandingsvegetaties (verschillende verlandingsstadia, open oeverzones,…):

    • 25-50% open waterzone, enkel door toename van habitatvlekken
    • langzame verlanding, volledige verlanding is echter nefast.
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van bestaande en herstel van recent verdwenen populaties. De soort is bekend van Turnhouts Vennengebied (3, 5), Nieuwe Bossen (4), Kesseven en Klotgoor (7), Liereman-Korhaan (1) en Goorken en Rode Del (16). Heikikker verdween recent in de Lei (10) en Kijkverdriet (7). Per populatie wordt gestreefd naar minimaal ? 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine (> 10, permanente of tijdelijke) wateren (

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Kwalitatieve verbetering van de waterhabitat:

    • herstel natuurlijke hydrologie
    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring
    • herstel natuurlijke oeverzones
    • opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop

    De voortplantingsplassen van heikikker zijn oligo- tot mesotroof en hebben een pH tussen 5-6 (BWK-code: ao, aoo, aom). Kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 4010, 6230, 7140, 7150, 9190).

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Kemphaan lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 4010/7150 en 6230. De soort wordt in de trek ook aangetroffen in open (vochtige) heide en schrale graslanden. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Historische broedvogel. De soort is uitgestorven in Vlaanderen. Een terugkeer van uit gebieden in Nederland waar de soort recent werd geïntroduceerd- is - omwille van de geringe mobiliteit van de soort - weinig waarschijnlijk (maar kan niet worden uitgesloten).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Herstel van de wisselwerking tussen relatief extentief beheerd kleinschalig landbouwgebied en voor een leefbare populatie voldoende aangrenzende heidegebieden. De soort vereist naast voldoende kwalitatief heidegebied, ook voldoende mozaïekrijk extensief cultuurlandschap dat er op aansluit (zie ook Landschap: mozaïekrijk weidevogelgebied’). De soort houdt zich in het winterhalfjaar vooral op in het kleinschalig extensief cultuurlandschap.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitbreiding tot een kernpopulatie van ? 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De soort broedt in structuurrijke heide met voldoende open zand.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
    • verzekeren van aanwezigheid van voldoende open zand in een structuurrijke heide
    • inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide
    • recreatieve zonering
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud en versterking van de bestaande populaties. De soort is bekend van Nieuwe Bossen (4), Zand- en Koeven (3), Liereman-Korhaan (1) Goorken en Rode Del (16) en Bogaerd (13). Per populatie wordt gestreefd naar 50-200 roepende mannetjes die zich voortplanten in een complex van 250m2), ingebed in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (vochtige heide, moeras en zuur laagveen). Zuur laagveen (BWK-code: ms) wordt gerekend tot moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Kwalitatieve verbetering van de vennen:

    • verzuring, verdroging, eutrofiëring en aanwezigheid van vis (vraat) vormen de belangrijkste bedreigingen;
    • opheffen van migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop.
    • samen met een verbetering van het landbiotoop (4010, 7140, 7150).

    Vennen zijn natuurlijke, ondiepe plassen met zwak tot niet-gebufferd en voedselarm water. BWK-kartering: ao, aoo of aom.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Regenwulp lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160 en 4010/7150. De slaapplaatsen van de soort omvatten o.a. heidevennen. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud en verbetering van de huidige populatie(s). Ruqstreeppad is bekend van Liereman-Korhaan (1) en Ravelse Bergen (5). In Liereman-Korhaan (1) heeft de soort haast alle voor rugstreeppad geschikte terreinen gekoloniseerd. Potenties voor de soort liggen vooral in de Ravelse Bergen (5), gekoppeld aan de ontwikkeling van 2310, 2330, 4030 en 6230. Per populatie wordt gestreefd naar ? 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine waterpartijen ( 5 plassen, zelfs tijdelijk) in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (open terreinen met zandige bodem).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Kwalitatieve verbetering van het waterhabitat (BWK-code: ao, aoo, aom):

    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring
    • herstel natuurlijke oeverzones
    • opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop

    samen met een kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 2310, 2330, 4030, 6230).

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van huidige broedpopulatie (ca. 4 bp) Dit vereist geen extra oppervlakte leefgebied.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop. De soort komt in het binnenland, naast moerassen en vijvers, ook voor op vennen. De Zwartkopmeeuw lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130 en 3160.

    Moeraslandschap - BE21000024

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    3150 komt voor in de deelgebieden 2, 5, 6 en 16. De actuele oppervlakte bedraagt 21 ha. Toename met 5 ha tot 26 ha wordt beoogd. Potenties voor ontwikkeling van 3150 zijn er in oude ontginningsplassen in deelgebieden 6, 18 en in voormalige viskweekvijvers in 16.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • tegengaan eutrofiëring en waterverontreiniging (ook in de waterleverende gebieden);
    • natuurlijk peilbeheer
    • tegengaan bosontwikkeling op en bosaanplant van de oevers
    • natuurlijke visstand
    • gepast beheer (geen betuining, andere ‘harde’ ingrepen,…)
    • exotenbeheer (o.a. stierkikker)
    • geïntegreerd beheer zomerganzen
    • recreatieve zonering (visteelt, hengelrecreatie, andere)
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    Toename van het actuele habitat (0,1 ha) tot een habitatwaardig beektraject van de Wamp binnen heel deelgebied 16.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • behoud en verbetering van de aanwezige vegetaties en faunasoorten door een verbetering van de waterkwaliteit en structuurkwaliteit van de waterloop binnen de speciale beschermingszone
    • noodzaak tot aanleg van oeverstroken nagaan langs bovenloop Wamp, Vaartloop en Jokevenloop om inspoeling meststoffen te beperken.

    Een kwaliteitsverbetering betekent onderzoek naar de impact van afstroming van Nederlandse landbouwgronden op de waterkwaliteit binnen de SBZ.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    6410 komt voor in de deelgebieden 1, 2 en 7. Voor Liereman (1), Kijkverdriet (7) en Moer (2) wordt minimaal behoud van de actuele oppervlakte beoogd (5,13 ha). In de Liereman (1) komt 6410_ve over een oppervlakte van 4,63 ha voor (Echelkuil en voormalig vliegveld). Het habitat komt voor als ‘overgangsvorm’ (6230_hmo lokaal overgaand in 6410_ve) in het Kijkverdriet (7). In deelgebied 7 komt verder een tussenvorm voor van 6230_hmo en 6410_mo met vertegenwoordigers van beide types. De totale oppervlakte aan 6410 in het Kijkverdriet beslaat ca. 0,2 ha. In deelgebied 2 komt ca. 0,3 ha 6410_ve overgaand naar 6230_hmo voor. Een toename voor 6410 met 0,2 ha in deelgebied 2 en 0,3 ha in deelgebied 7 ter hoogte van de groeiplaats van Spaanse ruiter dient nagestreefd. De bestaande habitatvlekken worden hierbij best ingebed in complexen van andere open habitats op voedselarme en/of venige bodems. Actuele oppervlakte: 5 ha + 9 ha toename = totale beoogde oppervlakte 14 ha.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • herstel lokale hydrologie (i.f.v, mineralenrijke kwel)
    • aangepast maaibeheer
    • tegengaan verzuring (o.a. stagnerend regenwater tegengaan)
    • tegengaan eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    Het habitat komt actueel niet voor in de SBZ-H. Op basis van modellering door VLM zijn er –na ruilverkaveling- binnen de SBZ ontwikkelingsmogelijkheden in deelgebied 2 voor glanshaver- en kamgrasvegetaties (doelhabitats 6510_hu en rbbKam), respectievelijk 24 ha en 7,7 ha. Onduidelijk is of in het Moer (2) na ruilverkaveling de vooropgestelde abiotiek en bijgevolg de beoogde oppervlaktes effectief hersteld kunnen worden. Vandaar dat een beperkt oppervlaktedoel van 2 ha wordt gesteld voor 6510.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • herstel lokale hydrologie
    • aangepast maai- en graasbeheer
    • tegengaan overstromingen met verontreinigd en/of nutriëntenrijk water
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    7140_base komt voor in deelgebieden 2 en 16. De actuele oppervlakte in 16 bedraagt 1,6 ha waar het voorkomt in complex met 7230. De actuele oppervlakte in 2 aan 7140_base bedraagt ca. 0,2 ha. Deze aan 7140_meso bedraagt ca. 0,1 tot 0,2 ha. Voor 7140_meso in het Moer (2) wordt uitgegaan van behoud van de aanwezige oppervlakte. Toename van 7140_base in het Moer (2) is mogelijk in oud populierenbos. In het moeraslandschap wordt voor het complex 7140_base/7140_meso een toename beoogd van 5 ha in de deelgebieden 16 (4 ha) en 2 (1ha). De overgangs- en trilvenen zijn ingebed in voedselarme moerassen met een voldoende grote oppervlakte.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verstoringen waterhuishouding
    • herstel lokale hydrologie (verzekeren stabiel peil)
    • tegengaan vegetatiesuccessie (door actief beheer, ophalen achterstallig beheer: verbossing en verruiging)
    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring (ook in waterleverend gebied)

    De kwaliteitsverbetering van de habitats gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering van de moerassen waar de habitats zijn ingebed. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    In het Moer (2) wordt een habitatvlek beoogd van 0,1 ha in een niet-voedselrijkmoeras van 1 ha. Eenzelfde doel wordt gesteld voor Liereman (1) en Kijkverdriet (7). Toename met 0,3 ha. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Er wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • herstel lokale hydrologie
    • tegengaan eutrofiëring
    • cyclisch maaibeheer
    • kleinschalig plagbeheer (herstel vanuit de zaadbank)
    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    Het voorkomen is - gezien de zeer specifieke abiotiek - beperkt tot het Goorken (16). De actuele oppervlakte bedraagt 0,5 ha. Er wordt 1 ha tot doel gesteld (toename met + 0,5 ha) in een voldoende groot, niet-voedselrijk moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd:

    • behoud en maximaliseren kwel (in dit geval doorsijpelend kanaalwater)
    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • lokaal plaggen (‘bultvegetaties’)
    • aangepast maaibeheer
    • tegengaan verzuring (o.a. stagnerend regenwater tegengaan)
    • tegengaan eutrofiëring
    • overstromingen met verontreinigd en/of nutriëntenrijk water vermijden

    De nagestreefde kwaliteitsdoelstelling voor 7230 impliceert een parallelle kwaliteitsverbetering van het moeras (matrix van 7140_base, 7150, 3130 en rbb’s) waar het habitat voorkomt.

    Oppervlaktedoelstelling
    +
    Omschrijving oppervlaktedoelstelling

    De actuele oppervlakte bedraagt 93 ha, waarvan ca. 10 ha als secundair habitat is te aanzien. Voor alluviaal bos (91E0) wordt, naast behoud van de actuele oppervlakte (excl. secundair habitat), een uitbreiding met 8 ha beoogd (louter door omvorming). De uitbreiding kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 13 en 18. Lokaal kan secundair alluviaal bos i.f.v. de prioritering hersteld worden naar een doelhabitat in de open sfeer.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verdroging
    • behoud goede waterkwaliteit grond- en oppervlaktewater
    • kleinschalig hakhoutbeheer
    • natuurlijk waterpeilbeheer
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Genoemde eendensoorten frequenteren tijdens de winter en in de trek grote(re) waterplassen en moerassen in de SBZ. De soorten liften mee met de doelen die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitbreiding in de SBZ van de broedpopulatie tot 50-60 bp (i.f.v. een voldoende lokale SVI).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De soort heeft een voorkeur voor iets verruigde rietvelden, rietsloten en gevarieerde moerassen. Een goede tot voldoende lokale SVI wordt beoogd door voldoende kwalitatief leefgebied, zowel in de moerasgebieden als in de veen– en heidegebieden.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
    Blauwe kiekendief komt voor in een brede keur aan open landschappen: wei- en akkerland, kapvlaktes, aanplantingen, moerasgebieden, heidevelden en venen.

  • Een voldoende tot gunstige lokale SVI wordt beoogd door:

    • Voldoende kwalitatief foerageergebied (waaronder moerasgebieden)
    • voldoende rust op de gemeenschappelijke slaapplaatsen (rietvelden) en het garanderen van voldoende rustgebieden
    • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ.
    • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

  • Omschrijving populatiedoelstelling

    Bruine kiekendief is onregelmatige broedvogel in het gebied en is actueel gekend als overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Herstel van de broedpopulatie. Er wordt een broedpopulatie van minimaal 3 bp beoogd. De oppervlaktebehoeften van deze soort zijn volledig vervat in de benodigde extra oppervlaktes leefgebied van roerdomp en porseleinhoen. Niet-broedvogels: behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Bruine kiekendief is een soort van open landschappen met grote moeras- en rietvegetaties. De soort lift zowel als broedvogel als doortrekker/overwinteraar mee met de doelen voor Roerdomp en Porseleinhoen, de doelen voor moerashabitats en de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de actuele populaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere watergebonden vleermuissoorten zijn gesteld.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Grote modderkruiper komt enkel voor in het Goorken (deelgebied 16). Uitbreiding van de populatie in deelgebied 16 tot:

    • het ganse traject van de Wamp in de SBZ
    • de moerashabitats langsheen de Wamp

    Beoogde populatiegrootte i.f.v. gunstige lokale SVI: ? 300 individuen/hectare.
    Mogelijkheid tot uitwisseling met de stroomopwaartse Nederlandse populaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Er wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • voldoende vlakdekkende onderwatervegetaties en een luchtige modderbodem op zand
    • waterloop met een hoge naturlijkheid
    • aangepast beek- en oeverbeheer
    • geen waterbouwkundige ingrepen
    • exotenbeheer (stierkikker)
    • verzekeren goede waterkwaliteit (dient gezien het waterleverend gebied in grensoverschrijdend perspectief te gebeuren)
    • opheffen migratiebarrières

    Buiten de waterloop zelf wordt een kwaliteitsverbetering (en herstel) van aangrenzende laagveenplassen en wetlands beoogd.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort overwintert in het gebied in lage, maar stabiele aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).De geprefereerde foerageergebieden zijn rietmoerassen en oeverzones langsheen grote, ondiepe plassen en vijvers, maar ook vochtige en ondergelopen graslanden, met enkele bomen of struiken.
    Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • voldoende kwalitatief foerageergebied waaronder moerasgebieden
    • afwisselend delen met en zonder (hoge) watervegetatie
    • uitgebreide ondiepe zones
    • voldoende rust in het foerageergebied en de rustplaatsen

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitgaande van de beoogde kwaliteitsverbetering van verschillende zoetwaterhabitats lijkt een lichte toename van de broedpopulatie met 2-3 bp zelfs mogelijk: uitbreiding van de broedpopulatie tot 9-13 bp. De broedaantallen zijn sterk onderhevig aan het weer (regen, gemiddelde temperatuur). De populatie is bovendien zeer wintergevoelig.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    IJsvogel is gebonden aan zuiver, visrijk (ijsvrij), stilstaand tot traag stromend water. De soort broedt in steile zandige oeverwanden langs beken, plassen en kleiputten. Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • voldoende kwalitatief leefgebied en het oplossen van ongunstige waterkwaliteit in de leefgebieden
    • behoud van potentiële nestlocaties (steile, natuurlijke rivier- en beekoevers en wortelkluiten van omgevallen bomen in de nabijheid van waterlopen.

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Toename van de huidige populaties, door verbetering van de kwaliteit van het leefgebied via bijkomende aanleg van een functioneel netwerk van poelen (zowel in SBZ-V als SBZ-H). Per populatie wordt gestreefd naar 20-50 adulte dieren die zich in één (>250 m2) of meerdere (3-5,

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De voortplantingsplaatsen zijn poelen, vijvers, kleigroeven, relatief voedselrijke vennen en andere plassen met een neutrale pH. Het leefgebied wordt gekenmerkt door een hoge diversiteit aan biotopen.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door verbeteren van de habitatkwaliteit van de huidige leefomgeving:

    • voldoende waterpartijen
    • verzekeren neutrale pH
    • tegengaan beschaduwing
    • weinig tot geen predatie door vissen
    • 10-50% ondergedoken of drijvende waterplanten
    • nabijheid van geschikt landbiotoop
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Kleine modderkruiper werd vastgesteld in Wamp (16) en Rode Loop (1). Behoud en verbetering (waar mogelijk uitbreiding) van de huidige populatie op het beektraject van de Rode Loop in de SBZ (1). Beoogde populatiegrootte i.f.v. een gunstige lokale SVI: ? 2.000 individuen/ha. In de Wamp (16) zal de soort ten dele meeliften met de inspanningen ten aanzien van grote modderkruiper.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Er wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

    • aangepast beek- en oeverbeheer
    • verzekeren goede waterkwaliteit
    • opheffen migratiebarrières
    • nastreven hoge natuurlijkheid waterloop
    • actief beekherstel (hermeandering, inbrengen stroomdeflectoren, e.d.)
    • voldoende sedimentvariatie (zowel modder, als zandig/stenig substraat aanwezig)
    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort is een actuele broedvogel in het gebied (meerdere koppels, met invasie-achtig voorkomen). Behoud van de soort als broedvogel. Voor porseleinhoen wordt een broedpopulatie van 5 tot 7 bp beoogd. Een broedpopulatie van 5 tot 7 bp vereist 75 tot 210 ha geschikt leefgebied. Dit komt neer op een toename van het leefgebied met 30 ha.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Porseleinhoen komt in Vlaanderen vooral voor in moerassen, turfputten, natte graslanden en verlandende waterplassen. Globaal wordt een gunstige kwaliteit van het leefgebied van de soort beoogd door:

    • het instellen van een op de soort gericht beheer waarbij een voldoende hoge, permanente waterstand van ca. 20 cm boven maaiveld wordt nagestreefd met overgangszones naar natte graslanden;
    • een op de soort afgestemd maairegime;
    • het actief tegengaan van verbossing.

    Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.
    Naast extra leefgebied moeten de doelen voor moerashabitats en de beoogde kwaliteitsverbetering ervan leiden tot 3 moerascomplexen met voldoende geschikt leefgebied (30-50 ha) voor Porseleinhoen en behoud van de broedpopulatie.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Roerdomp is een onregelmatige broedvogel in het gebied en is actueel gekend als overwinteraar in lage, stabiele aantallen. Niet-broedvogels: behoud van de overwinterende aantallen. Broedvogels: herstel van de broedpopulatie. Er wordt een broedpopulatie van 2 bp beoogd. Dit vereist een oppervlakte geschikt leefgebied van 60 – 100 ha waarvan 27 tot 35 ha extra leefgebied vooral via omvorming.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Roerdomp vereist uitgestrekte, voldoende natte rietmoerassen met zuiver water en stabiele waterstand. In de winter houdt de soort zich ook op in grote zeggenvegetaties en natte ruigten. Globaal wordt een gunstige kwaliteit van het leefgebied van de soort nagestreefd door:

    • een gericht beheer in functie van het behoud van waterrietvegetaties in vroegere, actuele en potentiële broedgebieden;
    • het tegengaan van verruiging van rietvelden;
    • een aan de soort aangepast peilbeheer (waterpeil van 10-30 cm);
    • voldoende beschikbaarheid aan open water;
    • een voldoende groot voedselaanbod (vis en amfibieën);
    • voldoende rust.

    Naast extra leefgebied moeten de doelen voor moerashabitats en de beoogde kwaliteitsverbetering ervan leiden tot 3 moerascomplexen met voldoende geschikt leefgebied (30-50 ha) voor roerdomp en herstel van de broedpopulatie.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de actuele populaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Een voldoende tot goede lokale LSVI wordt beoogd door:

    • beschikbaarheid van voldoende open water met structuurrijke oevers of gevarieerde beekvalleien (natte graslanden, KLE’s, e.d.)
    • goede waterkwaliteit foerageerwateren
    • natuurlijke visstand
    • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
    • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van de soort als broedvogel.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop. De soort komt in het binnenland voor in moerassen, natte ruigtes en vijvers.

    Mozaïekrijk weidevogelgebied met KLE’s en natte graslanden, - SBZ-V BE2101538

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Voor soorten als Bergeend, Krakeend, Slobeend en Wintertaling dienen voldoende overstroomde graslanden, ondergelopen akkers, weideplassen en open waters (klein tot groot, diep tot ondiep) beschikbaar te zijn. Kuifeend en tafeleend zullen eveneens gebruik maken van deze open waters mits voldoende diep. Smient en Pijlstaart verkiezen zeer open gebieden met veel open water. Smienten zijn uitgesproken grazers met een voorkeur voor vochtige, voedselrijke weilanden. De soorten liften mee met de kwaliteitsverbetering die voor de ecotoopcluster ‘weidevogelgebied’ en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort overwintert in lage aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
    De potenties voor blauwe kiekendief kunnen toenemen bij een toename van het voedselaanbod in de SBZ. Een groot aanbod aan Veldmuizen en zangvogels moet tijdens de winter beschikbaar zijn, wat inhoudt dat voldoende geschikt habitat (niet te dichte ruigtes, extensief grasland, ruige akkerranden en stoppelvelden) moet voorzien zijn in agrarisch gebied.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • verbetering van het voedselaanbod door voldoende areaal extensief grasland en behoud en herstel van structuurrijke overgangen van de heide naar extensieve landbouwgronden
    • kwaliteit van de slaapplaats (in open ruigtes of akkergewassen) behouden door het garanderen van een groot onverstoord rustgebied
    • het vrijwaren van grote aaneengesloten rustgebieden
    • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ
    • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De soort komt in de SBZ (buiten het ‘heidelandschap’ en ‘droge bossen’) ook tot broeden in het half-open cultuurland in kleine opgaande begroeiingen of boomgroepen op kale of schaars begroeide zandige bodems. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • voldoende beschikbaarheid van kale, zandige of schaars begroeide bodems met verspreide, opgaande begroeiing of boomgroepen
    • permanente beschikbaarheid van brede zandige stroken en -paden (? 50 m)
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van open vegetaties naar bos
    • voldoende structuurvariatie
    • recreatieve zonering
    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort overwintert in lage aantallen. Onregelmatige broedvogel. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor zowel broedvogels als doortrekkers en overwinteraars.De soort verkiest in agrarische gebieden vochtige weilanden en akkerland (bij voorkeur korenvelden) om te foerageren op vogels en kleine zoogdieren. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de actuele populaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere vleermuissoorten zijn gesteld aangaande KLE’s.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Jaarlijkse doortrekker/overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). De geprefereerde foerageergebieden zijn rietmoerassen en oeverzones langsheen grote, ondiepe plassen en vijvers, maar ook vochtige en ondergelopen graslanden, met enkele bomen of struiken. Voldoende kwalitatief foerageergebied

  • afwisselend delen met en zonder (hoge) watervegetatie
  • uitgebreide ondiepe zones
  • voldoende rust in het foerageergebied en de rustplaatsen
  • Omschrijving populatiedoelstelling

    Kamsalamander komt in het vogelrichtlijngebied voor in het gemeentebos Baetenheide en in voedselrijke(re) plassen in het domeinbos Ravels en de periferie ervan (Kijkverdriet, in SBZ-H). Toename van de huidige populaties, door kwaliteitsverbetering van het leefgebied via bijkomende aanleg van een functioneel netwerk van poelen (zowel in SBZ-V als SBZ-H). Per populatie wordt gestreefd naar 20-50 adulte dieren die zich in één (> 250 m2) of meerdere (3-5,

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    De voortplantingsplaatsen zijn poelen, vijvers, kleigroeven, relatief voedselrijke vennen en andere plassen met een neutrale pH. Het leefgebied wordt gekenmerkt door een hoge diversiteit aan biotopen. In het vogelrichtlijngebied is de soort aanwezig in poelen.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door verbeteren van de habitatkwaliteit van de huidige leefomgeving

    • voldoende waterpartijen
    • behoud neutrale pH
    • tegengaan eutrofiëring
    • tegengaan beschaduwing
    • weinig tot geen predatie door vissen
    • 10-50% (onder)watervegetaties
    • nabijheid van geschikt landbiotoop
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Onregelmatige broedvogel. Hervestiging als broedvogel (aangemeld) lijkt veraf (dalende Europese broedpopulatie). Hypothetisch kunnen broedgevallen bij voorbaat niet worden uitgesloten, maar hiervoor wordt er nu géén specifieke doelstelling vastgelegd. De soort is actueel een jaarlijkse doortrekker in de SBZ, in sterke variërende aantallen. Behoud van het belang van het gebied voor doortrek en behoud van stabiele aantallen doortrekkers

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Kemphaan verkiest in de winter en op doortrek drassige en overstroomde weilanden om te foerageren. Het voedsel bestaat uit insecten en hun larven. Ook akkers worden hierbij gefrequenteerd.

  • Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied:

    • voor doortrekkers en overwinteraars dienen voldoende ondiepe overstroomde graslanden (foerageergebied) en voldoende, grote ondiepe weideplassen (gemeenschappelijke slaapplaats) beschikbaar te zijn
    • het garanderen van de nodige rust op de slaapplaatsen
    • verhoging van waterpeilen in graslandgebieden.
  • Omschrijving populatiedoelstelling

    Historische broedvogel. De soort kwam in 1993 voor het laatst tot broeden in de SBZ-V. Midden jaren ’80 van vorige eeuw was de soort uit vrijwel alle andere historische broedgebieden in de regio verdwenen. Gezien de algemene terugval van het korhoen in vrijwel geheel West-Europa en de lage mobiliteit van deze soort is een terugkeer van het korhoen als broedvogel onwaarschijnlijk (maar kan, gezien herintroductie in nabije Nederlandse gebieden, niet worden uitgesloten).

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Herstel van de wisselwerking tussen relatief extentief beheerd kleinschalig landbouwgebied en voor een leefbare populatie voldoende aangrenzende heidegebieden. Korhoen houdt zich in de winter vooral op in de overgangszone van heide en open bosgebieden met kleinschalig cultuurland. Het kleinschalig cultuurland wordt gekenmerkt door:

    • extensieve hooilanden
    • ruige graslanden
    • natte, weinig bewerkte graslandpercelen
    • braakliggende graanakkers (geen maïs)
    • verspreide boomopslag
    Omschrijving populatiedoelstelling

    De soort is een jaarlijkse doortrekker in significante aantallen in de SBZ. De aantallen doortrekkende en foeragerende regenwulpen zijn groter dan in de westelijke Kempen (Wuustwezel en omgeving). Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Herstel en verbetering van de huidige kwaliteit van het foerageer- en leefgebied om het voorkomen van regenwulp als pleisteraar te versterken. Dit omvat extensieve graslanden, die tot einde april plas-dras staan. De slaapplaatsen van de soorten omvatten heidevennen enerzijds, weideplassen en overstroomde depressies in graslandcomplexen anderzijds. Er dient in het voorjaar voldoende kwalitatief foerageergebied beschikbaar te zijn voor gemiddeld 1.000-1.500 doortrekkers. Hiervoor dient 200 ha nat (tot zeer nat) grasland hersteld te worden. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Omschrijving populatiedoelstelling

    Overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Onregelmatige broedvogel. Behoud van de doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Behoud van het belang van het gebied voor zowel doortrekkers en overwinteraars als broedvogels. Het voedsel bestaat uit visjes, amfibieën en ongewervelden. Roerdomp komt in de winter ook voor in natte ruigtes.

  • Voldoende kwalitatief leefgebied:

    • voldoende beschikbaarheid aan open water;
    • een aan de soort aangepast peilbeheer (waterpeil van 10-30 cm);
    • overgangszones riet-water en riet-grasland
    • beschut grasland
    • permanente inundatiezones
    • helder water (voldoende waterkwaliteit) met een voldoende groot voedselaanbod (vis en amfibieën).
    • voldoende rust
  • Omschrijving populatiedoelstelling

    Behoud van de actuele populaties.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Een goede tot voldoende LSVI wordt beoogd door:

    • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
    • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen
    Omschrijving populatiedoelstelling

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van de huidige broedpopulatie.

    Kwaliteitsdoelstelling
    Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop: moerassen en vijvers. Voldoende kwalitatief foerageergebied. Voor de huidige kernpopulatie van zwartkopmeeuw langsheen de Beneden-Schelde wordt in de Kempen (de geografische omschrijving is ruimer dan de Noorderkempen waar deze SBZ is gelegen) gemikt op ? 200ha grasland met veel voedsel.

    Daniël Josten
    Agentschap voor Natuur en Bos