Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Droge heide (4030)

Droge heidevegetaties worden gedomineerd door de altijdgroene dwergstruiken van Struikhei. De vegetatie is vaak niet hoger dan 1 m. Plaatselijk kan boom- of struikopslag aanwezig zijn. Deze halfnatuurlijke vegetaties zijn van nature rijk aan mossen en korstmossen, vooral op oudere leeftijd als de heidestruiken open vallen. Op arme, zure zandbodems is het aantal plantensoorten beperkt; op meer lemige bodems en voormalig beakkerde heidebodems is de heidevegetatie doorgaans rijker aan kruiden en grassen. Grassen zoals Pijpenstrootje, Bochtige smele en Fijn schapengras hebben steeds een gering aandeel in goed ontwikkelde heiden.

Heide en landduinvegetaties
4030
Droge Europese heide
Droge heide

Droge heidevegetaties bestaan uit formaties van altijdgroene dwergstruiken, gedomineerd door Struikhei. De aspectbepalende laag is vaak niet hoger dan 1 m. Plaatselijk kan boom- of struikopslag van Grove den, Zomereik, Ruwe berk, Sporkehout, Brem, Jeneverbes of bramen aanwezig zijn. Deze halfnatuurlijke vegetaties zijn van nature rijk aan mossen en korstmossen, vooral op oudere leeftijd als de heidestruiken open vallen. De vegetatiestructuur en -samenstelling hangt sterk af van de voedselrijkdom van de bodem, het gevoerde beheer, de voorgeschiedenis en de ouderdom van Struikhei. Op arme, zure zandbodems is het aantal plantensoorten beperkt; op meer lemige bodems en voormalig beakkerde heidebodems is de heidevegetatie doorgaans rijker aan kruiden en grassen. Grassen zoals Pijpenstrootje, Bochtige smele en Fijn schapengras hebben steeds een gering aandeel in goed ontwikkelde heiden. In Vlaanderen onderscheidt men verschillende heidetypen: -Droge heide met veel mossen en korstmossen: de structuurrijke heides met een belangrijk aandeel oude struiken die opengevallen of afgestorven zijn, waardoor het licht- en competitieregime erg verandert. Dit type komt vooral voor op vlakke, droge podzolgronden met een strooisellaag van wisselende dikte. -Gedegradeerde droge heiden met dominantie van Pijpenstrootje of Bochtige smele. -Droge heide met Bosbes: de heides met een verder ontwikkeld humusprofiel, waarbij Blauwe bosbes abundanter wordt. Dit type vormt vaak een overgang naar open Eiken-Berkenbos. -Droge heide met Rode dophei: de heides met de zeldzame Rode dophei. Relicten worden onder andere gevonden in bermen, op paadjes en kapvlakten en in heideterreintjes in de Brugse Veldzone en aan de oostrand van het Kempens Plateau. Floristisch wijken de vegetaties niet af van de droge heide met Struikhei. Het bodemtype is vaak hetzelfde, hoewel de soort vaak lijkt voor te komen op niet pure zandbodems. -Droge heiden met open Bremstruwelen, waarbij de heidestruiken groter worden dan gewoonlijk onder invloed van de stikstof in de wortelknolletjes van Brem. In andere struwelen zijn ook soorten van heischraal grasland of van graslanden van het Struisgrasverbond aanwezig. Andere mogelijke begeleidende soorten zijn Gaspeldoorn en bramen en zeldzaamheden als Stekelbrem en Kruipbrem. Een zeldzame parasiet op Brem is de Grote bremraap. -Droge heidevegetaties op profielloze stuifduinen worden tot de psammofiele heiden gerekend (habitattype 2310), terwijl droge heide met Jeneverbesstruwelen als habitattype 5130 wordt beschouwd. Het habitattype komt vaak in mozaïek of met overgangen naar deze types voor, maar ook met zure graslanden op profielloze bodems (habitattype 2330), natte heide (habitattype 4010), heischraal grasland (habitattype 6230), vennen (habitattype 3110 en 3130) en zure overgangs- en trilvenen (habitattype 7140). Zonder actief beheer evolueren heiden spontaan naar zure Eiken-Berkenbossen (habitattype 9190). Veel voormalige heideterreinen zijn ontgonnen voor landbouw of werden bebost. Relicten zijn dan vaak enkel in de randzones, in dreven of tijdelijke kapvlaktes terug te vinden. De faunawaarden zijn vooral afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende afwisseling in vegetatiestructuur, zoals open zand, jonge en oude heide, grazige stukken, solitaire bomen en struwelen. Deze variatie is doorgaans mee bepaald door de oppervlakte en het beheer. De soortenrijkdom is groot met opvallend veel warmteminnende soorten. De Levendbarende hagedis is een algemene reptielensoort in dit habitattype. Zeer lokaal komen in de Kempen ook Gladde slang en Adder voor. Open zandige plekken en paden zijn het leefgebied van Bastaard- en Groene zandloopkevers, waarvan de larven zich in het zand ingraven. Ook de typische, trechtervormige kuiltjes van Mierenleeuwen kunnen langs beschutte randen van zandige paden door de heide worden aangetroffen. Diverse typische soorten roofvliegen kunnen zonnend op of boven het warme zand worden waargenomen, loerend naar prooi. Heiden zijn rijk aan wilde bijensoorten; tijdens de bloei van Struikhei foerageren ze massaal op de nectarrijke heidebloemen. Talrijke solitaire graafbijen en graafwespen zijn aan het habitattype gebonden en gebruiken het warme zand om de larven, voorzien van een pakketje voedsel, ondergronds te laten ontwikkelen. De Driehoornmestkever verzamelt mest van konijnen en schapen en graaft die eveneens in een holletje in, als voedsel voor de larve. Talrijke soorten sprinkhanen kunnen in dit habitattype worden aangetroffen, zoals Knopsprietje, Snortikker en Heidesabelsprinkhaan, de zeldzame Veldkrekel en de bedreigde Zadelsprinkhaan en Zoemertje. Op Struikhei leven talrijke nachtvlinders, zoals Nachtpauwoog, Bruine heispanner, Grijze heispanner, Gevlekte heispanner, Roodbont heide-uiltje en Granietuil. Typische broedvogels zijn Boomleeuwerik, Nachtzwaluw, Klapekster, Tapuit, Roodborsttapuit en Boompieper, waarbij de eerste twee deel uitmaken van de bijlage 1 van de Vogelrichtlijn. Het Korhoen is een andere soort van de bijlage 1, die uit de Vlaamse heidegebieden is verdwenen door habitatverlies.

Dit in Vlaanderen “zeer zeldzame” habitattype komt vooral voor in de Kempen, met het zwaartepunt in Midden- Limburg en de Hoge Kempen. Grote heidegebieden liggen voornamelijk in de militaire domeinen en enkele Vlaamse natuurreservaten zoals de Kalmthoutse Heide, de Mechelse Heide en de Teut-Tenhaagdoornheide. Kleine heideterreinen en relicten zijn aanwezig op de toppen van de Diestiaanheuvels, op dekzanden en andere geïsoleerde zure bodems in Vlaams-Brabant en Oost- en West- Vlaanderen. Deze actueel kleinere gebieden zijn evenwel belangrijk, ondermeer omdat de aanwezige heiden, als gevolg van regionale verschillen in bodemgesteldheid en voorgeschiedenis, van nature gedeeltelijk anders zijn van soortensamenstelling dan de grotere Kempense heiden. Tijdelijke heidevegetaties kunnen zich op kapvlaktes ontwikkelen.

Voor een hoge biodiversiteit is een hoge structuurrijkdom van de heide, met een afwisseling van jonge en oude heide en lokale opslag van struweel of bomen na te streven. Een actief, cyclisch beheer is noodzakelijk om spontane verbossing tegen te gaan. De plaatselijke omstandigheden en de flora- en faunadoelstellingen bepalen de keuze voor maaien, begrazen, branden of plaggen. In elk geval dienen maatregelen als plaggen en branden enkel op kleine schaal en gefaseerd in de tijd te worden toegepast. Een kleinschalig heidebeheer bevordert doorgaans het behoud of herstel van een grote soortenrijkdom. Bij het beheer van grote heidegebieden kan men de vegetatieontwikkeling sturen door de begrazingsdruk te variëren.

- Veel heides werden in het verleden in landbouwgrond omgezet, bebouwd of actief bebost. Actueel is vooral spontane verbossing door gebrek aan beheer een oorzaak van habitatverlies. - Eutrofiëring en verzuring leiden tot achteruitgang van de structuur en soortenrijkdom: Stikstof is in het algemeen de beperkende factor voor de groei van heideplanten. Bij een hoge atmosferische stikstofdepositie en accumulatie in de bodem zal er, na het openvallen van het vegetatiedek, vergrassing optreden. Hierbij ontstaan gedegradeerde droge heidevegetaties met een dominantie van Bochtige smele of Pijpenstrootje. De oorzaken van vergrassing zijn complex. Droge Pijpenstrootjeheides kunnen ook ontstaan op plaatsen waar Struikhei overstoven wordt met zand. Ook perioden van droogte en strenge vorst, brand en het optreden van keverplagen van Heidehaantje werken vergrassing in de hand. Verzuring is veelal veroorzaakt door de depositie van zwavel- en stikstofverbindingen. Dit leidt tot het verdwijnen van veel karakteristieke en bedreigde plantensoorten. De abiotische condities van deze terreinen is dan niet langer geschikt voor kieming en vestiging van deze soorten. Een algemene soort zoals struikheide kan wel onder de meest zure omstandigheden voorkomen. - Vanuit bosranden kan Adelaarsvaren sommige heides binnendringen en overwoekeren. De precieze oorzaken zijn onduidelijk. - Oude, structuurrijke, droge heides met veel mossen en korstmossen zijn zeer gevoelig voor betreding en overwoekering van open zandbodems door het Grijs kronkelsteeltje, een Amerikaanse mossoort die in dit type milieu overal sterk oprukt. - De bestaande heiderelicten zijn vaak klein en daardoor extra kwetsbaar voor diverse vormen van verstoring of aantasting. - Grootschalige heidebranden zijn vooral voor de fauna nadelig en kunnen ook vergrassing in de hand werken. - Faunaverstoring ten gevolge van intensieve recreatie.

Herstelbeheer moet gericht zijn op het tegengaan van de effecten van verzuring en eutrofiëring. Plaggen tot net boven de A2-horizont is de meest efficiënte verschralingsmaatregel. Bij maaien en branden, gevolgd door verwijderen van het strooisel, kunnen ook heel wat nutriënten afgevoerd worden. Deze maatregelen bieden niet steeds de garantie dat een vergraste heidevegetatie regenereert naar een door Struikhei gedomineerde vegetatie. Grootschalig plaggen en branden is vaak destructief voor fauna en leidt vaak tot een uniforme vegetatiestructuur. De aanwezigheid van een zaadbank in de bodem of zaadbronnen in de omgeving is noodzakelijk voor herstel van een goed ontwikkelde gemeenschap. Herstelmogelijkheden van heidevegetaties op verboste of beboste heideterreinen hangen af van de leeftijd van het bos en de mate van verstoring van bodem en hydrologie. Sommige soorten hebben een langlevende zaadvoorraad, zoals Struikhei (verschillende decennia); andere soorten hebben slechts kortlevende zaden. Op korte termijn is heideherstel zeker mogelijk op arme zandgronden die spontaan verbost zijn of recent door de mens bebost werden. Herstel van heidevegetaties op voormalige landbouwgronden vraagt een langdurig verschralingsbeheer. Vaak is oppervlakkig afgraven van de bemeste toplaag noodzakelijk. In het geval van akkers is een kiemkrachtige zaadvoorraad in de bodem meestal verloren gegaan. Op voorwaarde dat de abiotiek terug gunstig is, kunnen goede herstelresultaten bekomen worden met het uitspreiden van heideplagsel.

Het habitattype komt meestal voor op droge, zure, voedselarme zandgronden, waar door eeuwenlange uitloging een goed ontwikkeld podzolprofiel is ontwikkeld. Dit typische bodemprofiel wordt gekenmerkt door een donkere, sterk humusrijke A1-horizont, met daaronder een askleurige, uitgeloogde A2-horizont, gevolgd door een donker gekleurde, vaak verkitte inspoelingshorizont waarin ijzer, aluminium en/of organische stof zijn geaccumuleerd (de AL/Ca-ratio bedraagt 2,1-12). Droge heiden kunnen ook voorkomen op iets voedselrijkere bodems zoals lemig zand. De afbraak van het bodemmateriaal verloopt traag, waardoor een humuslaag gevormd wordt. Heidevegetaties komen alleen voor bij een koel, gematigd klimaat met een hoge luchtvochtigheid gedurende het grootste deel van het jaar. De vegetatie is gevarieerder naarmate de bodem beter gebufferd is tegen verzuring. De kritische grens voor stikstofdepositie ligt tussen de 7 en 14 kg N/ha/jaar.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**