Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Voedselarme tot matig voedselarme wateren met droogvallende oevers (3130)

Dit habitattype is nauw verwant met het vorige habitattype 3110, waarmee het enkele plantensoorten gemeenschappelijk heeft. Er zijn echter subtiele verschillen in de waterkwaliteit, met name een iets sterkere basenverzadiging en een iets grotere nutriëntenbeschikbaarheid (matig voedselarme omstandigheden). Een duidelijker verschilpunt is dat het water op de standplaats minder diep is, zodat de oeverzone jaarlijks meestal gedurende een langere periode droog valt en afbraak van organisch materiaal mogelijk is. Dit habitattype heeft bijgevolg een meer uitgesproken amfibisch en oevergebonden karakter.

Zoetwaterhabitats
3130
Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea
Voedselarme tot matig voedselarme wateren met droogvallende oevers

Dit habitattype is nauw verwant met het vorige habitattype 3110, waarmee het enkele plantensoorten gemeenschappelijk heeft en waarmee het geassocieerd kan voorkomen. Er zijn echter subtiele verschillen in de waterkwaliteit, met name een iets sterkere basenverzadiging (betere buffering tegen verzuring) en mogelijk een permanent iets grotere nutriëntenbeschikbaarheid, waardoor dit habitattype zich ook in meer uitgesproken mesotrofe milieus kan ontwikkelen. Een duidelijker verschilpunt is dat het water op de standplaats minder diep is, zodat de oeverzone jaarlijks meestal gedurende een langere periode droog valt en afbraak van organisch materiaal mogelijk is; dit habitattype heeft bijgevolg een meer uitgesproken amfibisch en oevergebonden karakter. Er zijn twee typen te onderscheiden: Het eerste type omvat oligotrofe tot mesotrofe vijvers en vennen met pioniersgemeenschappen op de kale oever of in de ondiepe oeverzone. Kensoorten zijn: Oeverkruid, Ondergedoken moerasscherm, Witte waterranonkel, Pilvaren, Drijvende waterweegbree (tevens bijlage 2-soort van de Habitatrichtlijn), Kruipende moerasweegbree, Duizendknoopfonteinkruid, Ongelijkbladig fonteinkruid, Vlottende bies, Naaldwaterbies, Moerashertshooi, Moerassmele, Kleinste egelskop en diverse kranswieren zoals Sierlijk glanswier en Doorschijnend glanswier. In de meeste gevallen treedt één van de kensoorten dominant op (bij uitgesproken dominantie van Oeverkruid wordt de standplaats evenwel tot habitattype 3110 gerekend). Frequente begeleiders zijn Veelstengelige waterbies, Knolrus, Pitrus, Waternavel, Pijpenstrootje en veenmossen. Dit type is vaak moeilijk te onderscheiden van habitattype 3110, dat soortenarmer is en waarbij een aantal van de vermelde soorten ontbreken. Het tweede type omvat de oevers van tijdelijke of permanente plassen of poelen met éénjarige dwergbiezenvegetaties (Isoeto-Nanojuncetea). Deze pioniergemeenschappen van vochtige, verdichte zandbodems komen voor langs oevers van vijvers en poelen, eventueel in mozaïek met het voorgaande type. Dwergbiezenvegetaties in duinvalleien worden tot het type 2190 gerekend. De meeste soorten hebben een korte levenscyclus van enkele maanden. Deze vegetaties zijn het best ontwikkeld in de late zomer. Het zijn open, laag blijvende gemeenschappen met een hoog aandeel aan grasachtige planten en een open, soortenrijke moslaag met vooral Goudkorrelmossen en Peermossen. Kenmerkend zijn o.a. Wijdbloeiende rus, Dwergrus, Koprus, Geel cypergras, glaskroossoorten, Eivormige waterbies, Grondster, Slijkgroen, Borstelbies, Fraai duizendguldenkruid, Dwergvlas, Dwergbloem en Draadgentiaan. Borstelbies is een soort die vaak buiten dit habitattype, in meer voedselrijke pioniersituaties, voorkomt. De typische soorten hebben doorgaans een langlevende zaadvoorraad. Periodiek droogvallende zandige oevers worden gekoloniseerd door een karakteristieke ongewervelde fauna met doorgaans een goede dispersiecapaciteit (vnl. loopkevers, kortschildkevers en oeverwantsen). Tussen de oevervegetatie leeft ondermeer de Gerande oeverspin. De typische aquatische fauna van deze ondiepe, semi-permanente wateren behoort tot de meest bedreigde van Vlaanderen en heeft veel soorten gemeen met habitattype 3110. Door de geringere zuurtegraad en iets hogere productiviteit van dit type is het voedselaanbod voor predatoren zoals libellenlarven en waterkevers evenwel groter en neemt hun abundantie en soortenrijkdom toe. Opvallend zijn de grote aantallen en grote soortenrijkdom aan libellen. Enkele van onze zeldzaamste soorten libellen komen in dit habitattype voor: bv. de Speerwaterjuffer en de Gevlekte witsnuitlibel, een bijlage 2-soort. Andere zeldzame soorten van mesotrofe vennen zijn Gevlekte glanslibel en Kempense heidelibel. In het water planten amfibieën zoals Heikikker, Poelkikker, Knoflookpad en Rugstreeppad zich voort (allen bijlage 4-soorten).

Dit habitattype is “uiterst zeldzaam” in heel Vlaanderen en komt hoofdzakelijk voor in de Kempen, maar plaatselijk ook nog in de Vlaamse zandstreek, de Leemstreek en de Zandleemstreek. Goed ontwikkelde vormen zijn tegenwoordig schaars.

Bij een goede waterkwaliteit bestaat het beheer voornamelijk uit maatregelen die een natuurlijke waterpeildynamiek bevorderen. Visvijvers die vaak al meerdere eeuwen geleden speciaal zijn aangelegd en ingericht in functie van een kunstmatig peilbeheer, met het periodiek aflaten van water, worden in regel het best volgens eenzelfde regime verder beheerd. Eventuele omringende dijken dienen dan in een goede staat te worden behouden of hersteld.

- Deze vegetaties zijn gevoelig voor eutrofiëring en verzuring. Verzuring door atmosferische depositie leidt tot soortenarme vegetaties met veenmossen, Knolrus of Veelstengelige waterbies. Bij eutrofiëring worden de voedselarme vegetaties verdrongen door Pitrus-, Lisdodde- of Rietvegetaties, met soorten als Moerasstruisgras, Waternavel of Grote wederik. - Door het kunstmatig op peil houden van vennen en vijvers valt de typische waterdynamiek weg. Drainage en waterwinning kunnen leiden tot verdroging en verzuring. - Ongepast beheer van vijvers in functie van viskweek, hengelsport of recreatie is een veel voorkomende oorzaak van habitatverlies. - Bosontwikkeling leidt tot eutrofiëring (bladval), verdroging en beschaduwing. - Andere vormen van eutrofiëring zijn te wijten aan landbouw, huishoudelijk afvalwater, inwaaien van meststoffen, spoelen van citernes, guanotrofiëring (bv. meeuwenkolonies), grote grazers en atmosferische stikstofdepositie. - Door overbegrazing en overbetreding van de oeverzones kunnen de vegetaties en relictsoorten vertrapt worden en wordt zaadvorming bemoeilijkt of verhinderd. - Door natuurlijke successie zullen ondiepe vennen verlanden en kale, vochtige zandbodems dichtgroeien. - Kolonisatie door exoten, zoals Zonnebaars en Amerikaanse hondsvis, is vooral nefast voor de aquatische fauna; op de droogvallende oevers kan Watercrassula en Parelvederkruid de typische vegetatie verdringen.

Herstel is mogelijk door het schonen en uitbaggeren van ondiep water waar het habitattype in het verleden voorkwam. Essentieel is dat de oorzaken van het verdwijnen zijn opgeheven (verzuring, eutrofiëring, wijzigingen in de regionale en lokale hydrologie en peildynamiek). Geëutrofieerde venranden met pitrus- en rietvegetaties, of door Knolrus en veenmossen gedomineerde vegetaties, kunnen met een redelijke kans op succes door plaggen hersteld worden. Dit blijkt lokaal zelfs mogelijk bij in cultuur gebrachte gronden. Bij het open maken van verlande plassen moet men toezien op het aanbrengen van een zacht glooiende oeverhelling en bij ondiepe uitgravingen op de aanwezigheid van voldoende microreliëf. Het behoud van een deel van de historische onderwaterbodem is belangrijk als zaadbron (vele soorten hebben een langlevende zaadvoorraad). Indien de venrand bebost is kan door ontbossing de wateronttrekking (en het watertekort) en eutrofiëring door bladval tegengegaan worden. Om de aanvoer van gebufferd grondwater te verzekeren kan het nodig zijn om in het infiltratiegebied bos te kappen en/of drainage te verhinderen. Indien het vegetatietype ten gevolge van antropogene verzuring is verdwenen, kan gedacht worden aan een verhoging van de buffercapaciteit, waarbij de mogelijkheden van de lokale omstandigheden zullen afhangen (bv. kunstmatige bekalking, bevloeiing). Een actieve exotenbestrijding kan eveneens noodzakelijk zijn. Het succes van de herstelmaatregelen hangt in belangrijke mate af van de nabije aanwezigheid van bronpopulaties of een plaatselijke zaadbank, subtiele verschillen in standplaatsfactoren en de mogelijkheid van periodiek droogvallen. Ondiepe oevers van zand- en grindwinningplassen met geschikte abiotische milieucondities kunnen na verloop van tijd naar dit habitattype evolueren. Plagexperimenten op plaatsen waar vroeger dwergbiezenvegetaties voorkwamen, kunnen succesvol zijn doordat de meeste soorten een langlevende zaadvoorraad opbouwen.

Het habitattype omvat ondiepe, oligo- tot mesotrofe poelen, vijvers, vennen en sloten met pioniergemeenschappen van voedselarme, zandige tot enigszins leemhoudende bodems, met wisselende waterstand. De bodem valt in vergelijking met habitattype 3110 regelmatig droog en is al dan niet bedekt met een dun laagje organisch materiaal. Sterkere humus- of slibaccumulatie is nadelig. Het water heeft een zwak zure tot relatief hoge pH en bevat meer opgeloste basen dan bij habitattype 3110. Goed ontwikkelde gemeenschappen komen voor op plaatsen waar zuur, voedsel- en basenarm water in contact komt met mineralenrijker, neutraal tot basisch grondwater. In het verleden was het habitattype ook aanwezig in door voedselarm water gevoede visvijvers in de Kempen en de Vlaamse zandstreek, waarvan het water kon worden afgelaten voor een periode van één of meerdere jaren, o.a. ten behoeve van akkerbouw. Verder komt het habitattype (meestal op kleinere oppervlakte) voor op vergelijkbare standplaatsen die 's winters plasdras staan en 's zomers oppervlakkig uitdrogen.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**