Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Voedselrijke, gebufferde wateren met rijke waterplantvegetatie (3150)

Dit habitattype komt voor in ondiepe tot vrij diepe, stilstaande tot zeer zwak stromende, wateren op voedselrijke bodem, zoals meren, plassen, vijvers en afgesneden meanders. Het water is van nature rijk aan voedingsstoffen door chemische uitwisseling met de bodem. In tegenstelling tot hypertrofe (extreem voedselrijke) wateren is fosfaat meestal limiterend en het water is helder zonder periodieke algenbloei. Het vegetatietype en de bijhorende faunagemeenschap kunnen ook voorkomen in sloten, vaarten of brede watergangen met goede waterkwaliteit.

Zoetwaterhabitats
3150
Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition
Voedselrijke, gebufferde wateren met rijke waterplantvegetatie

Dit habitattype wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan drijvende en ondergedoken waterplanten, behorend tot verschillende waterplantengemeenschappen, met name vegetaties van het Kikkerbeetverbond (Hydrocharition), het verbond van grote fonteinkruiden (Magnopotamion) en de eendenkroosklasse (Lemnetea minoris). Door eutrofiëring verdwijnen de karakteristieke soorten, waardoor deze plantengemeenschappen in Vlaanderen op de meeste plaatsen nog slechts in zwak ontwikkelde vorm te vinden zijn. Dit habitattype wordt als goed ontwikkeld beschouwd indien het gaat om relatief soortenrijke vegetaties, waarin meer dan één van de volgende kensoorten voorkomt: Kikkerbeet, Krabbenscheer, Loos blaasjeskruid, Groot blaasjeskruid, Glanzig fonteinkruid, Doorgroeid fonteinkruid, Rossig fonteinkruid, Gegolfd fonteinkruid, Wortelloos kroos en Kroosmos. Een in Vlaanderen uitgestorven kenmerkende soort is het Langstengelig fonteinkruid. Naast deze kensoorten kunnen een groot aantal begeleidende soorten voorkomen, zoals diverse soorten sterrenkroos, Brede waterpest, Bult- en Puntkroos, Veelwortelig kroos, Grote kroosvaren, diverse soorten waterranonkel, Watergentiaan, Waterviolier, Gele plomp, Witte waterlelie, Grof hoornblad, Aar- en Kransvederkruid en talrijke andere soorten fonteinkruid. Kranswieren die kunnen voorkomen zijn o.a. Breekbaar kransblad en Puntdragend glanswier, naast aquatische mossoorten zoals Gewoon bronmos en Gewoon watervorkje. Waterplantenvegetaties met alleen begeleidende soorten worden als zwak ontwikkeld habitat beoordeeld. Dit habitattype is in goed ontwikkelde vorm niet alleen floristisch, maar ook faunistisch zeer rijk. Een grote verscheidenheid aan vissen, zoogdieren (Waterspitsmuis, e.a.), vogels (eendachtigen, fuutachtigen e.a.), amfibieën (kikkers, salamanders), ongewervelde dieren (libellen, waterkevers, waterwantsen, zoetwatermollusken, e.a.) zijn van dit habitattype afhankelijk en hebben vaak een specifiek hieraan aangepaste levenswijze. Vele van deze soorten zijn in Vlaanderen bedreigd of zelfs uitgestorven. De Platte schijfhoren is een zoetwaterslakje van de bijlage 2. De Brede geelgerande waterroofkever en de Gestreepte waterroofkever zijn voorbeelden van bijlage 2-soorten van dit habitattype die in Vlaanderen uitgestorven zijn. De Sierlijke witsnuitlibel, een bijlage 4-soort, is eveneens verdwenen. Andere aandachtssoorten onder de Vlaamse libellenfauna zijn o.a. Vroege glazenmaker, Variabele waterjuffer en Glassnijder. Vissoorten van de bijlage 2 die in dit habitattype voorkomen zijn Kleine modderkruiper, Grote modderkruiper en Bittervoorn. Deze laatste soort is voor zijn voortplanting aangewezen op Zwanenmossels. Een gezonde Snoekpopulatie is cruciaal om een onnatuurlijk overwicht van planktonetende of bodemomwoelende vissen te vermijden en zo helder water te garanderen. De Kamsalamander en de Boomkikker, amfibieën van de bijlage 2 resp. 4, planten zich voort in plassen met rijke waterplantenvegetatie op voorwaarde dat vis schaars of afwezig is en er geschikt overwinteringshabitat in de omgeving aanwezig is. De IJsvogel is een bijlage 1-soort van de Vogelrichtlijn die broedt in steile oevers. Ook Witwangstern en Zwarte stern, een onregelmatige respectievelijk voormalige broedvogel in Vlaanderen, zijn bijlage 1-soorten van dit habitattype. De Otter, een bijlage 2-soort van de Habitatrichtlijn, is hier de toppredator. Voor diverse vleermuizen van de bijlage 2 en 4 vormen plassen een geschikt foerageergebied (o.a. Meer- en Watervleermuis).

Dit habitattype komt verspreid over heel Vlaanderen voor, maar goed ontwikkelde gemeenschappen zijn heden “zeer zeldzaam”. In het verleden was het type vaak goed ontwikkeld in wielen en beschutte meanders langs de grote rivieren en minder intensief beheerde, verlandende, vijvers en plassen. Het komt ook voor in geïsoleerde sloten of brede grachten met goede waterkwaliteit en in diepe, gegraven wateren.

Het beheer is vooral gericht op het behoud van een optimale waterkwaliteit. Volgende maatregelen zijn daarbij aan de orde: - Tegengaan van waterverontreiniging en eutrofiëring. - Aangepast visstand- en watervogelbeheer. - Aangepast exotenbeheer. - Aangepast recreatief beheer. - Tegengaan van volledige verlanding door voorzichtig ruimen, waarbij zones van het waterlichaam onaangeroerd blijven om herkolonisatie te vergemakkelijken. - Vermijden van overmatige beschaduwing en accumulatie van bladmateriaal.

- Eutrofiëring, door inspoeling van nutriënten (nitraten, fosfaten) via grond- en/of oppervlaktewater of een verhoogde vrijstelling/beschikbaarheid ervan door aanvoer van sulfaatrijk water, naast (in)directe lozing van afvalwater, veroorzaakt algengroei of een dikke krooslaag waardoor waterplanten verdrongen worden. Ook bladval door bosontwikkeling of -aanplant rond de plas is een mogelijke oorzaak. Lokaal kunnen ook grote aantallen watervogels bijdragen aan eutrofiëring. In dit habitattype is een beperkte aanwezigheid van eutrafente soorten (bijvoorbeeld grof hoornblad, waternetje) aanvaardbaar voor de meest eutrofe voorbeelden van dit type. Wanneer dergelijke soorten echter de overhand krijgen, duidt dit op een te grote beschikbaarheid van voedingsstoffen, waardoor het habitattype op relatief korte termijn in het gedrang zal komen omwille van hypertrofie en een afname in vegetatie. - Ruimingswerken, waarbij waterplanten frequent en drastisch worden verwijderd en de onderwaterbodem wordt verstoord, leiden tot het verdwijnen van kwetsbare soorten. - Verbraseming en een te hoge visstand, als gevolg van uitzetten van vis voor hengelsport, en een te lage densiteit van roofvissoorten als Snoek leiden tot troebel water, algenbloei en uiteindelijk het verdwijnen van waterplanten. - Gebruik van herbiciden is nefast voor waterplanten. Uitspoeling van pesticiden vanuit de omgevende landbouw naar het aquatisch milieu heeft een negatieve impact op het fyto- en zoöplankton en daarmee op het volledige voedselweb. - Invasieve, uitheemse waterplanten zoals Smalle waterpest, Kroosvaren, Grote waternavel, Waterteunisbloem, Parelvederkruid en Watercrassula kunnen de inheemse waterplanten verdringen. - Begrazing van waterplanten door o.a. Graskarper, Knobbelzwaan en Muskusrat kan tot het verdwijnen van kwetsbare soorten leiden. - Andere vormen van habitatvernietiging en degradatie worden veroorzaakt door het opvullen van vijvers, kunstmatige oeverversteviging, drainage en introductie van cultivars en exoten (vissen, Roodwangschildpad, waterplanten). - Boot- en zwemrecreatie kan periodiek voor verstoring zorgen; volledige kolonisatie van het water met drijvende en ondergedoken waterplanten kan voor bepaalde recreatievormen als problematisch worden ervaren.

Waterplantenvegetaties reageren meestal zeer snel op een verbetering van de waterkwaliteit en versterken het herstelproces, zodat dit een centraal aandachtspunt is bij het herstel van dit habitattype. De belangrijkste herstelmaatregel is het tegengaan van interne en externe eutrofiëring, zodat een fosfaatgelimiteerd watertype ontstaat. Ook hoge nitraatgehaltes zijn ongewenst. Langs waterlopen en rond vijvers kan de aanleg van bufferzones bijdragen aan een verminderde instroom van nutriënten vanuit de landbouw. Waterlopen die voor de toevoer van nutriënten zorgen in plassen kunnen eventueel omgeleid worden, indien een structurele aanpak van de oorzaken onvoldoende mogelijk is. Interne eutrofiëring door het vrijkomen van fosfaten en sulfaten uit een verontreinigde onderwaterbodem is vaak de oorzaak van het uitblijven van ecologisch herstel. Het afvissen van bodemomwoelende vissen als Karper en Brasem, al dan niet in combinatie met uitbaggering van de verontreinigde onderwaterbodem is dan noodzakelijk. Introductie van Snoek kan bijdragen aan een evenwichtig en minder groot visbestand. Hierdoor krijgen watervlooien meer kansen, waardoor algenbloei onder controle blijft en de helderheid van het water zal toenemen, zodat waterplanten zich kunnen vestigen. Deze ingrepen in het voedselweb worden aangeduid met de term 'actief biologisch beheer' en vereisen een grondig inzicht in de lokale situatie.

Het habitattype komt voor in permanent, beschut, stilstaand tot zeer zwak stromend voedselrijk water op bodems met een belangrijke leem-, veen- en/of kleifractie en/of kalkrijke bodems. De waterdiepte kan zeer gering zijn (Hydrocharition), maar ook enkele meter bedragen (Magnopotamion). Het bereik omvat zowel kleine (smalle slootjes, poelen, laagveenplasjes) als grote wateren (vaarten, vijvers, zand-, klei- of grindwinningsputten, meren). Het water bevat vrij veel opgeloste basen (doorgaans pH ≥ 7) en opgeloste mineralen. Er is geen overmatige eutrofiëring zodat de groei van draadalgen en fytoplankton beperkt blijft, terwijl een evenwichtig zoöplankton- en visbestand eveneens bijdragen aan de helderheid van het water. Ook het optreden van ijzerrijke kwel of kalk in de bodem kunnen een belangrijke impact hebben op de nutriëntenbeschikbaarheid. Luchtkwaliteit: de N-depositie bevindt zich onder 30 kg N/ha/jaar.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**