Ondiepe beken en rivieren met goede structuur en watervegetaties (3260)

Dit habitattype bestaat uit ondiepe, zowel relatief snel als traag stromende, rivieren en beken, respectievelijk submontane en laaglandbeken, met helder water en een goed ontwikkelde waterplantenvegetatie. De samenstelling van de vegetatie kan sterk variëren naargelang voedselrijkdom, (variatie in) stroomsnelheid, waterdiepte en bodemsubstraat. Ook de mate van beschaduwing speelt, vooral bij smallere waterlopen, een rol. Sommige waterlopen kunnen 's zomers gedeeltelijk droogvallen. Kenmerkend zijn ondergedoken of drijvende waterranonkelvegetaties (vooral Vlottende en Grote waterranonkel), naast andere waterplanten zoals diverse soorten sterrenkrozen en fonteinkruiden

Zoetwaterhabitats
3260
Submontane en laaglandrivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion
Ondiepe beken en rivieren met goede structuur en watervegetaties

Dit habitattype bestaat uit ondiepe, zowel relatief snel als traag stromende, rivieren en beken, respectievelijk submontane en laaglandbeken, met helder water en een goed ontwikkelde waterplantenvegetatie. De samenstelling van de vegetatie kan sterk variëren naargelang voedselrijkdom, (variatie in) stroomsnelheid, waterdiepte en bodemsubstraat. Ook de mate van beschaduwing speelt, vooral bij smallere waterlopen, een rol. Sommige waterlopen kunnen 's zomers gedeeltelijk droogvallen. Kenmerkend zijn ondergedoken of drijvende waterranonkelvegetaties (vooral Vlottende en Grote waterranonkel), naast andere waterplanten zoals diverse soorten sterrenkrozen en fonteinkruiden. Diverse soorten van stilstaande wateren (habitattype 3150) komen ook in traag stromende waterlopen voor. Ook typische oeverplanten gedijen langs traag stromende wateren met min of meer goede waterkwaliteit, zoals Pijlkruid, Mattenbies, Kleine egelskop en Zwanebloem. Goed ontwikkelde habitats zijn gekenmerkt door een goede water- en structuurkwaliteit en een soortenrijke water- en oevervegetatie. Een goede structuurkwaliteit bij traagstromende beken heeft betrekking op de aanwezigheid van natuurlijke oevers en vrije meandering waardoor allerlei “mesohabitats” in de waterloop voorkomen, zoals traag en sneller stromende secties, ondiepe en diepere zones, steile en zwak hellende oevers. Deze mesohabitats bieden levensruimte aan verschillende levensgemeenschappen. In beschaduwde omstandigheden kan een soortenrijke water- en oevervegetatie grotendeels ontbreken. Biologische indicatoren voor de goede ontwikkeling van het beekecosysteem zijn in dit geval de aanwezigheid van bijzondere macro-invertebraten en andere waterorganismen. Traag en snel stromende waterlopen die op vlak van waterkwaliteit en/of soortensamenstelling of structuurkwaliteit, minder hoog scoren worden beschouwd als een zwak ontwikkelde vorm van het habitattype. In veel gevallen zijn er nog wel potenties voor ecologisch herstel aanwezig wanneer gepaste maatregelen worden genomen. De aanwezigheid van doelsoorten in de bovenlopen van deze waterlopen verhoogt de kansrijkdom. Dit habitattype is in goed ontwikkelde vorm niet alleen floristisch, maar ook faunistisch zeer rijk. Weinig andere faunagemeenschappen zijn in Vlaanderen zo sterk in soortenrijkdom en aantallen achteruitgegaan, vooral tengevolge van waterverontreiniging en (micro)habitatverlies. Bepaalde vissoorten zijn opgenomen in de bijlage 2 van de Habitatrichtlijn: Zalm en Rivierdonderpad (snel stromende rivieren); Bittervoorn, Grote en Kleine modderkruiper (soorten van traag stromende beken) en Beekprik (soort van smalle bovenloopjes). Diverse ongewervelde diersoorten van dit habitattype zijn eveneens opgenomen in de bijlagen van de Habitatrichtlijn. De Gaffellibel en Bronslibel (bijlage 2) komen op geringe afstand in de buurregio's voor en vallen in de nabije toekomst mogelijk bij ons in het Grensmaasgebied te verwachten. Van een andere libellensoort, de Rivierrombout (bijlage 4), zijn er recente waarnemingen langs de Grensmaas. De Mercuurwaterjuffer (bijlage 2) is uitgestorven in Vlaanderen en typisch voor kleine, traag stromende beken en grachten. In de Vlaamse context zijn o.a. nog Bosbeekjuffer, Gewone bronlibel, Beekrombout, Kleine tanglibel en Beekoeverlibel aandachtssoorten in dergelijke milieus. De aanwezigheid van de algemenere Weidebeekjuffer kan als een goede indicator gelden voor het habitattype. De Bataafse stroommossel (bijlage 2) is een zoetwatermossel van stromende rivieren en grotere beken die in Vlaanderen uitgestorven is. Waterverontreiniging, vervolging en leefgebiedversnippering zijn de belangrijkste oorzaken van het verdwijnen van de Otter (bijlage 2), de toppredator in dit habitattype. In de steile, doorgaans weinig begroeide oevers van beken en rivieren is de IJsvogel een typische broedvogel (bijlage 1 van de Vogelrichtlijn).

Voorbeelden van snel stromende waterlopen met vrij goede habitatkwaliteit zijn te vinden in de Voerstreek (Noorbeek, Berwijn, Voer). Ook de Grensmaas komt in aanmerking. Traag stromende waterlopen met goede habitatkwaliteit zijn grotendeels beperkt tot bovenlopen, waar de beek nog een vrij natuurlijk karakter heeft behouden (o.a. bovenlopen van de Grote Nete, bovenlopen van beken die ontspringen op het Kempens Plateau, bronbeekjes in de Vlaamse Ardennen, maar ook elders nog aan te treffen, vooral in bosrijke omgeving en in natuurgebieden). De meeste waterlopen in Vlaanderen zijn als habitat zwak tot zeer zwak ontwikkeld omwille van een minder goede water- en structuurkwaliteit.

Een goede waterkwaliteit is essentieel voor goed ontwikkelde levensgemeenschappen. Het uitwendig beheer bestaat uit het tegengaan van lozingen en van de toevoer van nutriënten uit aangrenzende landbouwpercelen. Ook moet het landgebruik van het omringende waterleverende gebied afgestemd worden op de kwaliteitsdoelen van het oppervlaktewater. Meestal betekent dit het afbakenen van voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop. Deze habitats vragen in principe geen inwendig beheer, tenzij exotenbestrijding (bv. Grote waternavel).

- Bemesting in de bron- en aangrenzende gebieden en huishoudelijke of industriële afvalwaterlozingen (al dan niet via riooloverstorten) zorgen voor eutrofiëring en vormen de belangrijkste oorzaak van habitatdegradatie. - Het rechttrekken, uitdiepen, aanbrengen van oeververstevigingen en het ruimen van waterlopen vernietigt de structuurkwaliteit en daarmee ook de variatie aan microhabitats waarvan planten en dieren afhankelijk zijn. - Vegetatierijke waterlopen worden aangetast door rijbeplantingen of bosvorming langs de beek die voor schaduw zorgen. - Aanwezigheid van exoten (o.a. invasieve waterplanten, Muskusrat, Beverrat) kunnen de natuurlijke flora en fauna in meer of mindere mate negatief beïnvloeden. - De natuurlijke waterpeildynamiek wordt aangetast door wateronttrekking ten behoeve van de landbouw of industrie en door toename van het aantal piekafvoeren tengevolge van de vermindering van het kombergend vermogen in de bovenstroomse gebieden en de toegenomen verharding van de bodem. - Sterke fragmentatie en isolatie van relictgebieden en refugia (bv. bovenlopen van beken) bemoeilijken herkolonisatie van gebieden waar de milieucondities terug geschikt geworden zijn. - Intensieve kanovaart kan periodiek voor verstoring van kwetsbare broedvogels en lawaaihinder in natuurgebieden zorgen. Herstel van natuurlijke meanderingsprocessen, doordat bomen terug in de waterloop mogen vallen, kunnen worden gehypothekeerd. Ook volledige kolonisatie van het water met drijvende en ondergedoken waterplanten kan voor waterrecreatie als problematisch worden ervaren.

In de eerste plaats zijn maatregelen nodig om een ecologische waterkwaliteitnorm te realiseren. Naast afvalwaterzuivering (ook van individuele, geïsoleerde woningen), waarbij zowel stikstof- als fosfaatbelasting worden teruggedrongen, is het van belang dat zo weinig mogelijk riooloverstorten in werking treden bij regenbuien. Daarnaast dient de toevoer van nutriënten en sediment vanuit de landbouw maximaal teruggedrongen. Een bemestingsverbod is wenselijk in het brongebied en in een brede bufferzone langs de waterloop. Door de inrichting van bufferzones en de lokale aanleg van zuiveringsmoerassen kan het zelfreinigend vermogen verhoogd worden en wordt de sedimenttoevoer vanuit de landbouw verminderd. Hierbij dient ook aandacht besteed aan de aanwezigheid van drainagebuizen die rechtstreeks in de waterloop uitmonden. In erosiegevoelige gebieden zijn een aangepast mest- en ploegschema en gewaskeuze noodzakelijk. Bij het nemen van geïntegreerde waterkwaliteitsmaatregelen langs waterlopen wordt bij voorkeur van bovenstrooms naar benedenstrooms gewerkt. Waar de beek- en riviermorfologie is aangetast, kunnen harde oeververdedigingen verwijderd worden en het oorspronkelijke, meanderende patroon terug hersteld, in combinatie met het achterwege laten van kunstmatige ruiminge n. Door jarenlange ruimingen opgehoogde oeverzones worden bij voorkeur ook in de oorspronkelijke staat hersteld. Het opheffen van migratiebarrières voor vissen en andere aquatische fauna is zinvol wanneer er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor de waterkwaliteit. Overeenkomstige eenheden in andere ecologische indelingen.

Dit habitattype heeft betrekking op matig voedselrijk tot voedselrijk, helder, traag tot snel stromend water op verschillende bodemtypen. In goed ontwikkelde habitats is de beek- en riviermorfologie weinig of niet aangetast, met een grote structuurvariatie in dwars- en langsdoorsnede en een natuurlijke waterhuishouding. Sommige waterlopen kunnen droogvallen in de zomer. Het is voornamelijk de (variatie) in stroomsnelheid die bepaald of waterranonkelvegetaties (vooral Vlottende en Grote waterranonkel), dan wel vegetaties van sterrenkroos en fonteinkruid domineren. Hierbij zullen Waterranonkel vegetaties domineren in rivieren met een hogere stroomsnelheid. Luchtkwaliteit: de N-depositie bevindt zich onder 34 kg N/ha/jaar.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**