Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Watervleermuis

Myotis daubentonii
Fauna
Zoogdieren

=

Behoud van het huidige areaal

=

Behoud of groei van de huidige overwinterende populatie van 4000 exemplaren

+

Oplossen van ongunstige waterkwaliteit, versnippering, niet afgestemd menselijk gebruik, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

De echolocatiegeluiden zijn korte FM signalen van 100 tot 25 kHz, met een piekfrequentie tussen 40 en 45 kHz en een pulsduur van 4-7 ms. De watervleermuis is relatief moeilijk te onderscheiden van andere Myotis soorten, maar de sonargeluiden in combinatie met het vlieggedrag boven water, en de in het lamplicht gemakkelijk herkenbare witte buik, maak determinatie wel mogelijk.

De Watervleermuis komt voor in vrijwel heel Europa. In Vlaanderen is het een van de meer algemene vleermuizen. Over de verspreiding van kraamkolonies in Vlaanderen is echter weinig bekend. Er zijn wel een aantal kolonies in holle bomen gevonden, maar er moeten nog veel kolonies bestaan die nog niet bekend zijn. Tijdens de winter wordt ze aangetroffen in de bekende winterverblijven (forten, grotten, groeven, ijskelders); vooral de Antwerpse fortengordel herbergt grote aantallen. Sommige individuen kunnen grote afstanden afleggen tussen de zomer- en winterkwartieren (250-300 km).

De belangrijkste bedreigingen zijn het verdwijnen en verstoren van geschikte winter- en zomerverblijfplaatsen. Verlies aan kwaliteit van het leefgebied treedt op door o.a. lichtvervuiling op plassen en het verdwijnen van oude en zieke bomen en onverlichte, aaneengesloten, verbindende landschapselementen tussen de jachtgebieden en de zomerverblijfplaats.

De soort is gebaat met een aangepast bos-, park- en landschapsbeheer, gericht op behoud van oude, dode en zieke bomen, gespleten bomen en bomen met holtes. Daarnaast zijn behoud en herstel van beschutte waterpartijen en kleinschalige, bij voorkeur bosrijke landschappen met veel verbindingselementen belangrijk. Een goede kennis van de ecologische eisen, de lokale verblijfplaatsen van kraamkolonies en het lokale jachtgedrag is noodzakelijk om gepaste maatregelen te nemen en nadelige effecten van eventuele lokale ingrepen te vermijden of te verzachten.

Winterverblijfplaatsen
Deze soort overwintert in kelders, forten, groeven en andere koele, vochtige ondergrondse ruimten met een relatief constante temperatuur.

Zomerverblijfplaats
Tijdens de zomer verblijven ze vooral in oude, holle bomen (vooral naar boven ingerotte spechtenholen) in bosrijke omgeving, sporadisch ook in zolders, spleten onder bruggen, bunkers en forten. De kraamkolonies kunnen in de loop van het seizoen frequent verhuizen. Een populatie heeft dus een netwerk aan geschikte locaties nodig.

Jachtgebied
Deze dieren foerageren op geringe hoogte (tot ca. 30 cm) boven het oppervlak van allerlei niet verlichte, bij voorkeur beschutte waterpartijen, brede sloten en traag stromende beken en plukken hun prooien uit de lucht of met de achterpoten van het wateroppervlak. Bij windstil weer is de beschutting minder belangrijk, omdat het wateroppervlak dan overal rimpelloos is en prooien gemakkelijk kunnen worden gelokaliseerd en gevangen. De jachtgebieden kunnen verschillende kilometers van de zomerverblijfplaats gelegen zijn, waarbij de vliegroutes zo veel mogelijk lijnvormige structuren volgen en verlichting vermijden. In mindere mate wordt ook gejaagd langs bospaden, open plekken in het bos en langs bomenrijen.

Voedsel
Dansmuggen (Chironomidae) vormen de belangrijkste prooi van de Watervleermuis. Daarnaast worden ook langpootmuggen (Tipulidae), kokerjuffers (Trichoptera), en nachtvlinders (Lepidoptera) veel gegeten. Recent moleculair onderzoek van prooiresten toonde aan dat de geconsumeerde nachtvlinders vooral Microlepidoptera zijn, waaronder veel bladrollers (Tortricidae) die op bomen leven die voorkomen op de oevers van rivieren, kanalen en plassen (wilgen, elzen, populieren). Andere nachtvlinders op het menu van de Watervleermuis leven op riet, grassen of andere oeverplanten, zoals harig wilgenroosje. Eendagsvliegen (Ephemeroptera) komen ook voor op het dieet, vermoed wordt dat deze groep van zachte, makkelijk verteerbare insecten meer geconsumeerd wordt dan uit de analyse van uitwerpselen blijkt. Net als kokerjuffers en dansmuggen leven de nimfen van eendagsvliegen in het water en kunnen op bepaalde tijdstippen in het seizoen massaal uitkomen.