Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Drijvende waterweegbree

Luronium natans
Flora
Planten

=

Behoud van het huidige areaal

+

Uitbreiding van de huidige populatie

=

Oplossen van ongunstige waterkwaliteit, eutrofiëring en/of verzuring, vegetatiewijziging, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

Drijvende waterweegbree is een tenger water- en oeverplantje met drijvende, elliptische, 1 tot 3 cm grote blaadjes en ondergedoken, lijnvormige bladeren van ongeveer 0,5 cm breed. De bloemen hebben 3 witte kroonbladen met een geel centrum en hebben een diameter van ongeveer 2 cm. Ze drijven op het water en bloeien in de periode juni-oktober. De dopvruchtjes rijpen onder water. De zaden kunnen in de bodem tientallen jaren hun kiemkracht behouden. De plant kan zich ook vegetatief uitbreiden door de vorming van uitlopers.

In Vlaanderen kwam Drijvende waterweegbree vroeger op een groot aantal plaatsen verspreid over de hele Kempen voor, met de Demer en Beneden-Dijle als zuidgrens. Daarnaast waren er geïsoleerde populaties in de Vlaamse Zandstreek. Verschillende vindplaatsen zijn ondertussen verdwenen; de laatst gekende populatie in de Vlaamse Zandstreek (Kraenepoel) dateert van 1984.

De achteruitgang van de soort is vooral te wijten aan eutrofiëring of verzuring van het water, habitatvernietiging en verlies van habitatdynamiek. Ook invasieve soorten kunnen lokaal een rol spelen.

Op de resterende groeiplaatsen dient het beheer zich vooral te richten op het behoud of verbeteren van de waterkwaliteit en het vertragen van de successie naar vegetatietypes die de soort wegconcurreren. Windwerking op het water is bevorderlijk om accumulatie van organisch materiaal op de waterbodem tegen te gaan. Vermits ook beschaduwing en bladval in het water ongunstig zijn, kan het nodig zijn om oeverzones vrij te houden van dichte boom- en struikbegroeiing. Visbepotingen zijn ongewenst. Indien op oude groeiplaatsen nog een zaadvoorraad aanwezig is, kan de soort zich eventueel opnieuw vestigen wanneer het habitattype hersteld wordt.

De plant groeit in stromend of stilstaand water, zoals vijvers, sloten en plassen en op de kortstondig droogvallende oevers daarvan. Het is een typische soort van wateren met pioniervegetaties van de Oeverkruidklasse (habitattypes 3110 en 3120). Het water is helder, vaak vrij voedselarm tot matig voedselrijk, zuur tot licht basisch en met zeer lage fosfaaten nitraatgehaltes. De plant verdwijnt van zodra te veel concurrentie met andere planten optreedt. In voedselarme omstandigheden, waarbij er niet te veel ophoping van organisch materiaal op de bodem plaats vindt, kan de soort langdurig stand houden. In voedselrijkere omgeving is de soort meestal gebonden aan situaties met ijzerrijk kwelwater of andere milieuomstandigheden die de successie naar vegetaties met meer competitieve soorten vertragen.