Meervleermuis

Myotis dasycneme
Fauna
Zoogdieren

=

Behoud van het huidige areaal

=

Behoud of groei van de huidige populatie

+

Oplossen van ongunstige waterkwaliteit, versnippering, niet afgestemd menselijk gebruik, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

De echolocatiegeluiden van de Meervleermuis zijn heel gevarieerd. Tijdens de snelle rechtlijnige vlucht boven groot open water gebruikt ze vaak lange pulsen (tot 25 ms) met een piekfrequentie rond 33 kHz en een smalle bandbreedte (frequentieverloop van 45 tot 25 kHz). Rond 33 kHz is er een vrij lang QCF stuk. Deze geluiden hoor je met een heterodyne detector als smakkende, natte geluiden. Bij de langzame vlucht is de pulsduur middellang (7-15 ms), de bandbreedte is al wat groter, de piekfrequentie ligt rond 35 kHz en er is nog een QCF stukje. Ook deze geluiden klinken in heterodyne nog als natte, kletterende geluiden. Wanneer Meervleermuizen dicht langs rietkragen, bomen of gebouwen vliegen zijn de echolocatiepulsen kort (1-6 ms) met piekfrequentie 38-40 kHz, en een frequentieverloop van soms 100 tot 25 kHz. Met een heterodyne detector hoor je droge, ratelende geluiden, vergelijkbaar met die van andere Myotis soorten. Dan is de soort met een batdetector moeilijker te herkennen.

De kraamkolonies liggen in Noord- en Oost-Europa. In het grootste deel van het gekende verspreidingsgebied is de Meervleermuis zeldzaam en komt in kleine aantallen voor. Slechts in enkele zeer waterrijke laaglandgebieden is de Meervleermuis echt talrijk (NW Nederland, Baltische gebieden). Het eilandvormig voorkomen van die kerngebieden maakt de soort erg kwetsbaar. '‘s Winters trekt een deel van de dieren vanuit het laagland naar grote geschikte ondergrondse plaatsen in het aangrenzende heuvelland of middelgebergte. Dan kunnen Meervleermuizen ook in hoger gelegen gebieden opduiken. Opmerkelijk in dat verband is een recente waarneming in augustus van een jagende Meervleermuis boven het stuwmeer van Robertville aan de rand van de Hoge Venen (ruim 500 m boven de zeespiegel). In de mergelgroeve van Daugbjerg in Jutland (Denemarken) bevindt zich één van de grootste gekende populaties van overwinterende Meervleermuizen (een paar duizend individuen). Afstanden tot meer dan 300 km worden overbrugd.

Vlaanderen
Vlaanderen ligt aan de westgrens van het verspreidingsareaal; Foeragerende dieren worden verspreid in Vlaanderen waargenomen in de buurt van kanalen, rivieren en waterplassen. De meeste zomerwaarnemingen komen momenteel uit het noordelijke deel van Vlaanderen zoals de Antwerpse haven, het rivierengebied van Mechelen en het Albertkanaal. Er was in Vlaanderen één kleine kraamkolonie (max 30 individuen) bekend in een spouwmuur van een brouwerij in de buurt van Ieper maar deze kolonie is rond 2005 verdwenen. In de periode 1998-2005 was de Meervleermuis een regelmatige verschijning boven de kanalen, rivieren en plassen van Ieper tot voorbij Diksmuide. Na het verdwijnen van de kolonie zijn er in het ganse gebied van de zuidelijke Westhoek amper nog Meervleermuizen met de detector gehoord. Wel is een nieuwe kolonie van een 40 tal Meervleermuizen opgedoken ten zuiden van Duinkerke (Noord-Frankrijk) ongeveer op hetzelfde ogenblik als de kolonie rond Ieper verdween. Overwinteraars zijn vooral gevonden in de Limburgse mergelgroeven en Antwerpse fortengordel.

De belangrijkste bedreigingen zijn het verdwijnen en verstoren van geschikte winter- en zomerverblijfplaatsen, in het bijzonder door lawaaihinder en renovatie, sloop en verlichting van gebouwen (of delen er van) die door de soort gebruikt worden. Verlies aan kwaliteit van de jachtgebieden treedt op door het verdwijnen van aaneengesloten, verbindende landschapselementen. De oorzaken voor het verdwijnen van de enig gekende kolonie in Vlaanderen blijven onduidelijk.

De soort is vooral gebaat met een aangepast beheer van de winter- en zomerverblijven en het behoud of herstel van verbindende landschapselementen zonder lichthinder met en tussen de jachtgebieden. Goede jachtgebieden bieden, ongeacht de windrichting, voldoende beschutte oevers waar het wateroppervlak ongerimpeld is. Natuurlijke oevers met goed ontwikkelde oevervegetatie verhogen de insectenrijkdom van een waterplas, vaart of rivier. Een waterpartij moet voldoende groot open water bezitten, vrij van kroos of waterplanten met drijvende bladeren. Een goede waterkwaliteit en natte graslandcomplexen met lijnvormige landschapselementen in de omgeving zijn gunstig. Een goede kennis van de ecologische eisen en het lokale jachtgebied is noodzakelijk om gepaste maatregelen te nemen en nadelige effecten van eventuele lokale ingrepen te vermijden of te verzachten.

Winterverblijfplaats
De soort verblijft '‘s winters in grotten, forten, en grotere bunkercomplexen met een stabiele temperatuur tussen 4 en 9°C. Er wordt vaak van plek verwisseld. De soort geldt als een middellange afstandtrekker. Als er geschikte locaties aanwezig zijn, overwintert een deel van de populatie wellicht ook in de buurt van de zomerverblijfplaats.

Zomerverblijfplaats
Kraamkolonies worden aangetroffen op zolders, in spouwmuren, onder dakpannen en achter dakranden van allerlei gebouwen. De kraamkolonies zijn meestal vrij groot. In het najaar worden paarverblijven ingenomen in gebouwen, vogel- of vleermuiskasten en holle bomen.

Jachtgebied
Ze foerageren vooral boven grote, open waterplassen, rivieren en kanalen waar insecten van het wateroppervlak worden geplukt. Meervleeermuizen verkiezen stilstaand of langzaam stromend water met gladde waterspiegel. Boven sneller stromende rivieren in het middengebergte verkiest de Meervleermuis de rivierzones met glad oppervlak, bijvoorbeeld juist stroomopwaarts van watervallen (Roemenië). Soms achtervolgen Meervleermuizen grote insecten meters hoog boven het water of tot boven de oevervegetatie. Bij goed weer jagen Meervleermuizen ook ver van de oevers op grote meren. Bij winderig weer jagen ze vooral boven wateroppervlakken die uit de wind liggen, dicht langs hoge kades, rietkragen, oeverwallen, bomenrijen, e.d. en boven kleine wateroppervlakken. Een deel van de tijd wordt ook doorgebracht boven vochtige weilanden en langs bomenrijen in de buurt van open water. Kort na uitvliegen blijven sommige dieren ook een tijdje in het dorp jagen, langs lanen en pleinen met bomen of langs de huizen. Het foerageren gebeurt tot op een afstand van 15-30 km van de kolonie. Kanalen en rivieren zijn de belangrijkste verbindingsroutes maar ze gebruiken ook bomenrijen en houtwallen. Ze mijden verlichte trajecten.

Voedsel
Zoals een aantal andere vleermuissoorten die boven waterpartijen jagen, voeden Meervleermuizen zich in hoofdzaak met dansmuggen (Chironomidae). Deze familie in de orde van de Diptera (Tweevleugeligen) is wijd verbreid en de larven komen in grote aantallen voor in allerlei typen water. De vliegtijden van de diverse generaties en soorten volgen elkaar zo snel op dat ze het ganse seizoen door een ruime voedselbron vormen. Naast dansmuggen vormen ook kokerjuffers (Trichoptera) en eendagsvliegen (Ephemeroptera) een belangrijk aandeel van het dieet. De larven die in het water leven komen vaak synchroon uit op bepaalde tijdstippen in het seizoen en kunnen dan in enorme aantallen boven en langs het water voorkomen. Daarnaast vangt de Meervleermuis ook landinsecten zoals nachtvlinders, gaasvliegen, kevers, vliegen e.d. Recent moleculair onderzoek van insectenresten in uitwerpselen toont de nauwe relaties aan tussen de Meervleermuis, de habitat en de prooidieren. Van de nachtvlinders die op het menu staan zijn er veel soorten die leven op de oevervegetatie, zoals de gestreepte rietuil (Leucania obsoleta, gewoon riet), de lisdoddeboorder (Nonagria typhae, grote lisdodde), de duikermot (Acentria ephemerella, fonteinkruid, kranswier) en de berkenoogbladroller (Epinotia demarniana, berk, els en wilg). In Nederland eten Meervleermuizen ook opvallend veel mestkevers en mestvliegen, insecten die leven in weilanden (Haarsma).