Zure bruingekleurde vennen (3160)

Dit habitattype omvat permanente tot hooguit kortstondig droogvallende, grotere en kleine, plassen, waarvan het water een karakteristieke bruinkleuring (thee- tot lichte koffiekleur) vertoont door een hoog gehalte aan humusstoffen. Deze humusstoffen worden vrijgesteld uit een veensubstraat en/of aangevoerd uit de omgeving, waarbij een hoge zuurtegraad en/of een zeer geringe beschikbaarheid van voedingsstoffen verdere mineralisatie beperken. Zure wateren waarbij de bruinkleuring ontbreekt, worden niet tot het habitattype gerekend, ook al zijn er kenmerkende soorten aanwezig.

Zoetwaterhabitats
3160
Dystrofe natuurlijke poelen en meren
Zure bruingekleurde vennen

Dit habitattype omvat permanente tot hooguit kortstondig droogvallende, grotere en kleine, plassen, waarvan het water een karakteristieke bruinkleuring (thee- tot lichte koffiekleur) vertoont door een hoog gehalte aan humusstoffen. Deze humusstoffen worden vrijgesteld uit een veensubstraat en/of aangevoerd uit de omgeving, waarbij een hoge zuurtegraad en/of een zeer geringe beschikbaarheid van voedingsstoffen verdere mineralisatie beperken. Zure wateren waarbij de bruinkleuring ontbreekt, worden niet tot het habitattype gerekend, ook al zijn er kenmerkende soorten aanwezig. Het voorkomen van dystrofe plassen is grotendeels beperkt tot de grotere infiltratiegebieden met heidevegetatie en veenmoeras op sterk uitgeloogd dekzand. Het betreft doorgaans hydrologisch geïsoleerde, ondiepe, kommen (vennen) en plas-draszones met stilstaand water, die hoofdzakelijk door oppervlakkig afstromend water en neerslag gevoed worden. Het habitattype is in principe beperkt tot depressies met een natuurlijke oorsprong; in Vlaanderen is vrijwel steeds sprake van uitvening. De vegetatie is weinig diagnostisch voor het habitattype, gezien de aanwezige soorten ook in niet-dystrofe (humuszuurarme), min of meer zure plassen worden aangetroffen en geruime tijd kunnen naijlen. De soortenarme randvegetatie bestaat hoofdzakelijk uit veenmossen en eenzaadlobbigen zoals Draadzegge, Slijkzegge, snavelbiezen en Veenpluis. Begeleidende soorten zijn ondermeer Pijpenstrootje, Snavelzegge, Veelstengelige waterbies, Kleine en Ronde zonnedauw en Waterdrieblad. In het open water zijn slechts enkele soorten aanwezig, zoals Klein blaasjeskruid en Waterveenmos; vaak blijven grotere delen onbegroeid. In iets meer mineraalrijke situaties kunnen ook Loos blaasjeskruid en Drijvende egelskop worden aangetroffen. Verlanding geeft aanleiding tot veenmostapijten, tril- en overgangsveen (habitattype 7140) en natte heide waarin soorten met hoogveenkarakter optreden (habitattype 4010), eventueel in een slenken-bultenpatroon. Bij lichte basenaanrijking kunnen vennen met Oeverkruidvegetaties (habitattype 3110 en 3130) ontstaan. Van nature zijn vissen en mollusken in dit habitattype afwezig. De aanwezige diersoorten kunnen eveneens in andere zure wateren met veenmossen voorkomen. Hoogveenglanslibel en de bij ons ondertussen verdwenen Noordse glazenmaker en Dwergjuffer lijken een zekere voorkeur voor dit habitat te vertonen. Venglazenmaker en Venwitsnuitlibel zijn andere bijzondere libellensoorten die hier kunnen voorkomen. Ook de kokerjuffer Oligotricha striata en de waterwants Hesperocorixa castanea zijn hier regelmatig aan te treffen. De Heikikker, een bijlage 4-soort van de Habitatrichtlijn, kan zich in dit type water voortplanten.

Dystrofe plassen zijn in Vlaanderen tegenwoordig “zeer zeldzaam” en in meer of mindere mate aangetast. Vroeger was het habitattype wellicht algemeen in de grotere heidegebieden, waar ondermeer het regelmatig voorkomende toponiem 'Zwart Water' naar dergelijke omstandigheden kan verwijzen. Voorbeelden van dystrofe plassen zijn sommige vennen in de Kalmthoutse en Mechelse Heide, de Ruiterskuilen en het Turfven te Opglabbeek, Den Damp en Zwartven in Meeuwen-Gruitrode en de Gaarvijver in Zutendaal.

Terugdringen van de atmosferische depositie van verzurende en eutrofiërende stoffen is essentieel voor duurzaam behoud. Het vermijden van verdroging en eutrofiëring primeert in het lokale instandhoudingsbeheer. De oeverzones dienen gevrijwaard te worden van sterke boomopslag. Uitvening kan hooguit overwogen worden indien het habitattype door verlanding verloren dreigt te gaan.

- Ontwatering of sterke verdroging zijn nefast. - Vanwege de zeer geringe buffercapaciteit en voedselrijkdom is dit habitattype bijzonder gevoelig voor verzuring en de hiermee gepaard gaande stikstofaanrijking. Hierdoor gaan soorten als Pijpenstrootje, Knolrus, Pitrus, Moerasstruisgras en Vensikkelmos overheersen. De kenmerkende bruine kleur van het water kan hierbij volledig verdwijnen. - Vermesting leidt tot dominantie van Pitrus en opgaande vegetaties van voedselrijke milieus (bv. Grote lisdodde en Riet) aan de randen, terwijl eutrofiëringsindicatoren in het water verschijnen (bv. Klein kroos en Mannagras). - Door veenafbraak kan dan vertroebeling optreden. - Door natuurlijke verlanding kan het habitattype op termijn verdwijnen. - Aangrenzende bosontwikkeling met veel beschaduwing en bladval zal leiden tot eutrofiëring en eventueel verdroging en uiteindelijk tot het verdwijnen van kenmerkende of bijzondere soorten.

Bij verzuurde vennen is spontaan herstel eventueel mogelijk door vermindering van de verzurende deposities (hiervan is het actuele niveau in Vlaanderen suboptimaal voor het habitattype). Bij sterk geëutrofieerde vennen kan het verwijderen van sediment noodzakelijk zijn. Het verwijderen van boomopslag en het plaggen van Pitrus- of Pijpenstrootjevegetaties in de oeverzone zijn mogelijke begeleidende maatregelen. De maatregelen kunnen slechts succesvol zijn op voorwaarde dat achteraf verzuring en aanvoer van nutriënten kunnen vermeden worden. Ten aanzien van de fauna is het belangrijk dat baggeren en plaggen gefaseerd gebeuren.

Karakteristiek is een hoog gehalte aan humusstoffen waardoor het water bruin kleurt. De waterbodem bestaat meestal uit venig materiaal, maar kan soms ook zandig zijn. De plassen zijn doorgaans permanent. Het waterpeil is stabiel of kan licht fluctueren. De amplitude en duur van peilfluctuaties zijn dermate dat het substraat niet zal uitdrogen. In Vlaanderen is dit habitattype gekenmerkt door uitgesproken ionenarme (elektrisch geleidingsvermogen <100 μS/cm), zure (pH <6) en voedselarme omstandigheden.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**