Specifieke natuurdoelen

Een belangrijk aandachtspunt is het herstel van de rivierdynamiek, de waterhuishouding en de waterkwaliteit. Dat zal ervoor zorgen dat kwaliteitsvolle moerassen, graslanden en bossen zich kunnen ontwikkelen. We streven ernaar om meer aaneengesloten kwalitatieve bossen en een netwerk van heidegebieden te bekomen. Daarvoor is bosuitbreiding en omvorming van naaldbos naar loofbos nodig.

Dit zijn de specifieke natuurdoelen voor gebied 'Demervallei':

Boslandschap

Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Per bosgebied minstens 1/4 van de potentieel geschikte interne en externe bosranden als boszoom beheren.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering van de kwaliteit van de bestaande vochtige boszomen, best in het kader van mantel-zoom vegetaties en door het instellen van aangepast mantel-zoombeheer (periodiek maaien/kappen) ter hoogte van de overgangen tussen hooiland en bos; extra aandacht hiervoor op de randen van (vaak uit populierenbos herstelde) natte hooilanden via een gericht beheer (het tegengaan van verruiging, ruderalisering en boomopslag door periodiek maaien).

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename huidig aandeel zuurminnende beukenbossen en eikenberkenbossen van ca. 225 ha (actueel) naar 504 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 48 ha (95 ha voor 9120 en 9190 samen).
Hiervan wordt minimaal 490 ha tot doel gesteld binnen de deelgebieden 10, 12 (St. Jansberg), 15 (Groot Asdonk), 16 (Konijnenberg), 19 (Voortberg), 22 (Molenberg en Hooilandse berg) en 1 (Eikelberg, ’s Hertogenheide, Kloesebos, Vorsdonkbos).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit via exotenbestrijding, via ter plekke laten van dood hout, via het vermijden van inspoeling van pesticiden en meststoffen en sediment (ter hoogte van de erosiegevoelige hellingsbossen), via open plekken. Overgangs- en gradiëntsituaties (tussen droog-nat, open-gesloten …) zijn waardevol en moeten zeker behouden blijven. Dik (dood) hout, open plekken tot 2 ha met heidevegetaties en thermofiele boszomen zijn nodig, niet alleen voor de sleutelsoorten van dit habitattype maar ook allerlei habitattypische faunasoorten van het heide- en boslandschap.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de huidige oppervlakte van ca. 15 ha naar 63 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 14 ha.
Realisatie van de doelstellingen van het Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009) gebeurt in de Demercoupures (deelgebieden 3-8) en op de oeverwal ter hoogte van Doodbroek-Kloosterbeemden (deelgebied 19). Verder ook in deelgebieden 10 (Averbode en omgeving), 2 (Wijgmaalbroek, Gevel) en 22 (Vallei van de drie beken). Behoud van dit bostype op de gradiënten nat-droog, waar het als overgang optreedt tussen 91E0_veb en hoger gelegen 9120/9190 (deelgebieden 12, 13, 15, 16)

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Zie kwaliteitsdoel 9120.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van het huidig aandeel eikenberkenbossen van ca. 200 ha (actueel) tot 466 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 47 ha (95 ha voor 9120 en 9190 samen).
Dit is mogelijk in onder meer volgende deelgebieden : Deelgebied 10 (natuurinrichting Averbode Bos & Heide alleen al voorziet zo’n 240 ha 9190 op middellange termijn), deelgebied 11 (Molenheide), deelgebied 15 (Prinsenbos), deelgebied 21 (Rosse beemden). Deelgebied 22 (Vallei van de drie beken).
Minstens behoud in de overige deelgebieden (o.a. deelgebied 9: Zallaken).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Zie kwaliteitsdoel 9120. Bossen in de SBZ-V (bv. De Hees en omgeving ten zuidoosten van Diest) krijgen een beheer gericht op de verbetering als leefgebied voor Nachtzwaluw en Boomleeuwerik met open plekken en bosranden.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de actuele ± 160 ha naar 591 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 226 ha.Dit is mogelijk in volgende deelgebieden : deelgebied 2 (Wijgmaalbroek-Gevel); 16 (Achter Schoonhoven); 17 (Messelbroek); deelgebied 19 (o.a. Doodbroek); deelgebied 1 (Vorsdonkbos-Turfputten); deelgebied 11 (Kalstersbos - Diepven): ; deelgebied 12 (Rotbroek); deelgebied 22 (oostelijk deel vallei van de Drie Beken); deelgebied 15 (Westelijk deel Vallei van de drie beken); deelgebied 10 (Averbode Bos & Heide); deelgebied 20 (Gorenbeekvallei); deelgebied 21 (Rosse Beemden); deelgebieden 4-8 (Demercoupures). Bosuitbreiding mag echter niet ten koste gaan van regionaal belangrijke biotopen (rbb) zoals bv. rietland in de Gevel (deelgebied 2). Plaatselijk zijn kleine omzettingen ten voordele van habitattypes 4010, 6410 en 6230 wel mogelijk.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit via herstel van de hydrologie (oa. conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009);), via het vermijden van overstroming met vuil oppervlaktewater, via het ter plekke laten van dood hout. Overgangs- en gradiëntsituaties (tussen droog-nat, open-gesloten …) zijn waardevol en moeten zeker behouden blijven. Dik (dood) hout, open plekken en geleidelijke boszomen komen niet alleen de sleutelsoorten van dit habitattype ten goede maar ook allerlei habitattypische soorten als wespendief, zwarte & middelste bonte specht, hazelmuis, kleine ijsvogelvlinder, keizersmantel, ….

Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties binnen de SBZ’s. Vanuit het voorzorgsprincipe wordt nagegaan op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de leefgebieden maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen of kunnen verkeren. Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, foerageergebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch is er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de foerageerbiotopen aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden. De herinrichting van de Demervallei tussen Diest en Werchter betreft een grootscheeps investeringsproject, waarvoor ook nog andere voorbereidende studies dienen opgemaakt te worden, zodat de fysische en praktische haalbaarheid van ecologisch herstel kan bekeken worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Verblijfplaatsen in bomen:
    Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied.
  • Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten:
    De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt. Wanneer, bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden, per toeval een nieuwe vleermuisverblijfplaats wordt ontdekt, dienen de nodige inspanningen te worden gedaan om de verblijfplaats op dezelfde plaats te behouden. Indien dit onmogelijk blijkt te zijn, moet in de onmiddellijke omgeving een goed alternatief worden voorzien. Gezien het feit dat vleermuizen slechts zeer langzaam nieuwe verblijfplaatsen in gebruik nemen, verdient de eerste optie de voorkeur.
  • Insectenrijkdom:
    Maatregelen die de insectenrijkdom verhogen, komen alle vleermuissoorten ten goede. Hieronder valt het nastreven van: (1) goed ontwikkelde, golvende bosranden als geleidelijke overgang van het bos naar het open landschap; (2) goed ontwikkelde kruid- en struiklaag in de bossen; (3) waterlichamen met een goede waterkwaliteit en met natuurlijke oevers met oevervegetatie; (4) soortenrijke graslanden en ruigtes (habitattype 6430).
  • Connectiviteit en landschappelijke diversiteit:
    Behoud en versterken van de connectiviteit tussen de (deel)leefgebieden en nastreven van landschappelijke diversiteit. Dit omvat het creëren van open ruimte binnen de grote bosgehelen (netwerk van open plekken en boswegen met mantel- en zoomvegetaties) en de uitbouw van een netwerk van kleine landschapselementen in de open gebieden waar de creatie van grote, ononderbroken hooi-/rietlandcomplexen niet voorop staat.
  • Verbeteren horizontale en verticale structuur van de bossen:
    verhogen gelaagdheid en aandeel open plekken (ruigte, hooiland) en goed ontwikkelde interne en externe bosranden. Deze doelstelling kwam ook reeds aan bod bij de doelstellingen voor de habitattypes 9120-9190, 9160 en 91E0.
Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verblijfplaatsen in bomen: Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied. Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten: De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt.

Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud populatiegrootte (1-6 bp).

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verdere omvorming van naald- naar loofhout en zorgen voor voldoende rust in broedgebied.

Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud van de actuele populatie (31-55 territoria).

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Spontane evolutie naar oud bos verder stimuleren (ook bij privé-boseigenaars). Behoud dreven met oude inheemse loofbomen (ook in privédomeinen en kasteelparken).

Heidelandschap

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Een toename van de actuele oppervlakte van ca. 80 ha naar 200 ha. Kerngebied voor toename van het buntgrastype 2330 en psammofiele heide 2310 [*] zijn deelgebieden 10 en 15 . De huidige relicten in het Prinsenbos (ook deelgebied 15), de Molenheide (deelgebied 11) en ’s Hertogenheide (deelgebied 1)-Zallaken (deelgebied 9) dienen versterkt te worden tot een kwalitatief netwerk door oppervlaktetoename en kwalitatieve verbetering. Op de Diestiaanheuvels dient plaatselijk het dwerghavertype hersteld te worden.

[*] Doelen voor deze habitattypes zijn onlosmakelijk verbonden vermits habitattype 2310 het natuurlijke successiestadium is van habitattype 2330. Onder invloed van dynamiek kan echter opnieuw de pionierssituatie 2330 ontstaan. Daarom wordt een gezamenlijk doel gesteld voor deze habitattypes.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit : vrijgestelde (stuif)zandbodems, geen verbossing, voldoende dynamiek ( bv. begrazing).

[Doelen voor deze habitattypes zijn onlosmakelijk verbonden vermits habitattype 2310 het natuurlijke successiestadium is van habitattype 2330. Onder invloed van dynamiek kan echter opnieuw de pionierssituatie 2330 ontstaan. Daarom wordt een gezamenlijk doel gesteld voor deze habitattypes.]

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Oppervlaktetoename van 12 ha naar minstens 30 ha. Dit zal grotendeels gerealiseerd worden in Averbode Bos & Heide (deelgebied 10) waar natuurinrichting de creatie van dit habitattype op middellange termijn voorziet. In deelgebied 20 (o.a. vijver Grote dorst).
Daarnaast dienen de huidige relicten van dit habitattype (oa. deelgebied 1 – Vorsdonkbos; deelgebied 10 – De Vijvers (zie bij dg 10), deelgebied 19- Vierkensbroek; en deelgebied 22-Vallei van de Drie beken) bewaard en versterkt te worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit : natuurlijke hydrologie (voor gebieden langsheen de Demer conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009)), niet-beboste oevers, beperkte slibaccumulatie en voldoende dynamiek (windwerking, periodiek droogzetten, …).

Oppervlaktedoelstelling
=
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Behoud van de actuele oppervlakte van ca. 1 ha en een stijging tot 3 ha. Kerngebied hiervoor is deelgebied 10.

Kwaliteitsdoelstelling
=
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Behoud van de actuele goede staat van instandhouding : beperkte verlanding en verbossing door aangepast beheer.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de huidige 6,5 ha tot 31 ha. Kerngebied hiervoor is deelgebied 10 waar het natuurinrichtingsproject Averbode Bos & Heide alleen al op middellange termijn ca. 20 ha toename beoogt. Minstens behoud en waar mogelijk versterking van de bestaande relicten, in het bijzonder in deelgebieden 10 (Pinnekenswijer-Houterenberg), 15 (Prinsenbos) en 22 (Schutshagen).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Het bereiken van een goede staat van instandhouding door het toepassen van een gericht beheer dat verbossing en vergrassing vermijdt. Natuurlijke lokale hydrologie.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de bestaande 50 ha naar minstens 112 ha. Een groot deel hiervan zal gerealiseerd worden in deelgebied 10 (Averbode), 15 en 22 (Vallei van de drie beken). Behoud en een lichte versterking van huidige relicten in de andere deelgebieden (oa. deelgebied 1: Eikelberg-’s Hertogenheide-Kloesebos; deelgebied 9 : Zallaken (behoud)) is minstens even belangrijk alsook herstel op andere Diestiaanheuvels (deelgebied 16: Konijnenberg, deelgebied 19: Voortberg, deelgebied 12: St. Jansberg-herstel relicten als open plekken).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitsverbetering met aandacht voor de gewenste structuur en vegetatie, en het voorkomen van verbossing. Behoud en ontwikkeling van geschikt leefgebied voor een kernpopulatie Nachtzwaluw.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Oppervlakte-toename van de huidige 8 ha tot 90 ha. Kerngebied voor oppervlaktetoename is deelgebied 10 waar natuurinrichting een oppervlakte van 45 ha voorop stelde. Ook in deelgebied 22 wordt op de Hooilandse berg en de Molenberg droog heischraal grasland en in de vallei vochtig heischraal grasland tot doel gesteld. In Klein Asdonk en het westelijk deel van de vallei van de Drie Beken (deelgebied 15) wordt (grotendeels) vochtig heischraal grasland tot doel gesteld. Herstel van het habitat in ’s Hertogenheide (deelgebied 1) en in Kalsterbos en Meren (deelgebied 11). Versterking van huidige relicten in de andere deelgebieden met enkele aren is echter minstens even belangrijk (deelgebied 1: Vorsdonkbos-Turfputten, Eikelberg; 9: Zallaken, 12: Leunen-Lobos , 16: Achter Schoonhoven en Rommelaar. Deze types heischrale graslanden komen niet altijd zuiver voor, maar in gradiënten naar andere types (4010, 4030, 6410, 6510, rbbhc, 9120); deze overgangen zijn zeer divers/waardevol en zeker te behouden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitsverbetering door gericht beheer: Onbemest, niet verbost, vrij van herbicidengebruik.

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Wegens het pionierskarakter van dit habitattype en de successie naar vochtige heide, wordt tot doel gesteld dat altijd een oppervlakte van 0,5-1 ha aanwezig zou zijn in deze SBZ-H, meer bepaald in deelgebied 10 (Averbode, Pinnekenswijer-Houterenberg).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Realiseren van een goede kwaliteit van dit habitattype door het vermijden van verdroging en spontane successie (d.m.v. bv. plaggen).

Omschrijving populatiedoelstelling

Toename leefgebied naar een netwerk van 312 ha, hetgeen meelift op de doelen voor droge heide 2310, 2330 en 4030. Herstel van geschikte leefgebieden op de Diestiaanheuvels en in de Merodebossen.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en herstel van het leefgebied door:

  • het vrijstellen van verboste heide;
  • herstel van heide door het omvormen van naaldhoutaanplanten; voldoende plekken open zand;
  • vermijden of beperking van verstoring door geleiding van de recreanten gedurende het broedseizoen.

Bossen in de SBZ-V (bv. De Hees en omgeving ten zuidoosten van Diest) krijgen een beheer gericht op de verbetering als leefgebied met open plekken en bosranden.

Omschrijving populatiedoelstelling

Toename leefgebied naar een netwerk van 312 ha, hetgeen meelift op de doelen voor droge heide 2310, 2330 en 4030. Herstel van geschikte leefgebieden op de Diestiaanheuvels en in de Merodebossen.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en herstel van het leefgebied door:

  • het vrijstellen van verboste heide;
  • herstel van heide door het omvormen van naaldhoutaanplanten;
  • voldoende plekken open zand; vermijden of beperking van verstoring door;
  • geleiding van de recreanten gedurende het broedseizoen.

Bossen in de SBZ-V (bv. De Hees en omgeving ten zuidoosten van Diest) krijgen een beheer gericht op de verbetering als leefgebied met open plekken en bosranden.

KLE-rijk landschap

Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud van de huidige populatie (0-1 bp)

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Minstens behoud en verbetering kwaliteit leefgebied met bloemrijke hooilanden en doornstruweel, abundantie van grote insecten.

Vallei - natte graslanden en ruigten

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de huidige 6 ha veldrusgraslanden tot minstens 30 ha. Deze toename vindt waar mogelijk plaats nabij de huidige relicten, bijvoorbeeld door populier te verwijderen en/of verschralend hooilandbeheer toe te passen. Dit is mogelijk in volgende gebieden : Vorsdonkbos-Turfputten (deelgebied 1); Achter Schoonhoven (deelgebied 16), het Vierkensbroek (deelgebied 19), Zallaken (deelgebied 9 : complex 6230 en 6410), Kalsterbos-Meren (deelgebied 11), Leunen (deelgebied 12), Asdonk- Vallei Drie beken (deelgebied). Dit type komt van nature voor in overgangen met andere types (6230, 6510, rbbhc, 7140, 7230); deze bijzonder rijke overgangen zijn te behouden zoals bv. ook in Klein Asdonk en de vallei van de Drie Beken (deelgebieden 15 en dg 22). Waar de abiotische omstandigheden geschikt zijn, is herstel van blauwgrasland s.s. gewenst.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit : natuurlijke hydrologie van de vallei (grondwater, leigrachten) conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009); en gericht beheer.

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Behoud van de ca. 150 ha goed ontwikkeld habitat 6430. Dit is mogelijk in volgende deelgebieden : deelgebied 22, oostelijk deel vallei van de Drie Beken; deelgebied 19 Demerbroeken; deelgebied 17 Messelbroek; deelgebied 15 westelijk deel vallei van de Drie Beken; deelgebied 1 Vorsdonkbos-Turfputten; deelgebied 12 Rotbroek-Gorenbroek.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De kwaliteit van die 150 ha dient verbeterd te worden tot een goede tot uitstekende staat van instandhouding, voornamelijk door het verhogen van de soortendiversiteit en verhogen van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Een optimaal beheer met verwijdering van eventueel aangeplante populier is een kwaliteitsvereiste op sommige plaatsen.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de huidige 70 ha met 211 ha naar 281 ha. Hiervan wordt minimaal 170 ha gerealiseerd in deelgebieden. deelgebied 13 (Schulensbroek) ; deelgebied 2 (Wijgmaalbroek) ; deelgebied 1 (Vorsdonkbos-Turfputten-Amerbeemd en ten oosten van Kloesebos); deelgebied 16 (Achter Schoonhoven) ; deelgebied 17 (Messelbroek); deelgebied 22 (oostelijk deel vallei van de Drie Beken) ; deelgebied 12 (Rotbroek, Gorenbroek). deelgebied 15 (westelijk deel vallei van de Drie Beken); deelgebied 19 (Vierkensbroek); deelgebied 3 (Demercoupures); deelgebied 8 (Demercoupures); deelgebied 9 (Zallaken);

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitsvereiste is een aangepast hooilandbeheer (zonder bemesting en herbicidengebruik, evt. via beheersovereenkomsten) Extensivering van het beheer is interessant voor Kwartelkoning (aanwezig in deelgebied 13); in dat geval wordt er pas in september gemaaid en niet bemest.

Omschrijving populatiedoelstelling

Behoud van een vitale en reproducerende populatie in de Vroente (deelgebied 13) en uitbreiding van de actuele populatie.

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Minstens behoud van huidige kwaliteit leefgebied: geschikt beheer ; geen negatieve invloed van vervuild oppervlakte- en grondwater (opheffen overstort). De soort heeft absoluut kale, vochtige grond nodig in het voorjaar. In een zilverschoongrasland (rbbzil) worden die microbiotopen door het vee en door overstromingen gecreëerd in natte periodes.

Omschrijving populatiedoelstelling

Een kernpopulatie van 14 territoria. Dit vereist een toename van het leefgebied met 145-215 ha. In het Schulensbroek streven naar 10 bp. Dit vereist een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 150-200 ha geschikt leefgebied; waaronder habitattype 6510). Dit vereist een toename van het leefgebied met 110-160 ha; naast de aanwezige en tot doel gestelde toename van habitattype 6510 (die vervat zit in het doel voor 6510 zelf). Een deel van de extra oppervlakte leefgebied zal gerealiseerd dienen te worden door omvorming. Webbekomsbroek: het momenteel geschikte leefgebied voor 1 bp (ca. 25 ha) laten toenemen tot potenties voor 4-territoria ( 60-80 ha geschikt leefgebied).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verhogen kwaliteit habitat. Deze soort vereist open, onbemeste bloemrijke graslanden die pas gemaaid worden vanaf/na augustus , vermijden van verstoring (met actieve bescherming van lokale broedparen).

Omschrijving populatiedoelstelling

Toename van de actuele populatie in deelgebieden 1 (Eikelberg-Vorsdonkbos), 2 (Wijgmaalbroek), 9 (Zallaken) en 10 (Averbode Bos en Heide) Vestiging van nieuwe populaties in gebieden waar de combinatie natte gebieden-droge Hagelandse heuvels aanwezig is: deelgebieden 9 (Zallaken), 16 (Achter Schoonhoven-Rommelaar) en 19 (Demerbroeken-Voortberg).

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Behoud kwaliteit van het leefgebied, met aandacht voor:

  • behoud van vochtige, bloemrijke, voedselrijke ruigtes (dit vereist op bepaalde plaatsen vrijstelling van onder populier) onder een extensief beheer in de buurt van droge, warme terreinen met voldoende open, zongeëxposeerde plekken;
  • aangepast mantelzoombeheer in gebieden waar de soort voorkomt. Gefaseerd, niet-jaarlijks maaien of extensief begrazen zijn goede maatregelen. Maaien van reproductiehabitats (eilegplaatsen en rupsenlocaties) en foerageergebieden in juli en augustus is negatief voor Spaanse vlag;
  • voorkomen van drainage waardoor groeiplaatsen van koninginnenkruid en leefgebied van de rupsen verdrogen;
  • bestrijdingsmiddelen vermijden in de omgeving van gekende populaties.

Vallei - vijver- en moeraslandschap

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van 8 ha naar minstens 30 ha - voornamelijk in deelgebied 19 (Demerbroeken), deelgebied 22 (oostelijk deel van de Vallei van de Drie Beken), deelgebied 12 (Rotbroek), deelgebied 15 (westelijk deel van de Vallei van de Drie Beken), deelgebied 21 (Rosse Beemden) - door herstel van reeds bestaande poelen of vijvers.
Herstel van het habitat in bestaande leibeken en sloten en creatie van nieuwe poelen op kansrijke plaatsen.
Minstens behoud van het habitat in de overige deelgebieden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

De vijvers dienen tijdens het vegetatieseizoen permanent water te bevatten. Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH. Er dient minstens één sleutelsoort abundant aanwezig te zijn.

Oppervlaktedoelstelling
+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename van de huidige 6 ha tot 20 ha op plaatsen die aansluiten bij de bestaande relicten ( deelgebied 1: Turfputten, deelgebied 11: Diepven, deelgebied 12: De Leunen-Lobos, Rotbroek en Gorenbroek, deelgebied 15: westelijk deel vallei van de Drie Beken, deelgebied 18: Zavelbeemden, deelgebied 19: Vierkensbroek). Dit kan o.a. door het weer open maken van verboste biotopen.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitsvereisten zijn o.m.: beperkte aanwezigheid boomopslag in de habitat; een natuurlijke hydrologie; voldoende voedselarme waterlichamen; afwezigheid van karperachtigen.

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Toename huidige oppervlakte (ca. 0,75 ha) Galigaanmoeras in de Rosse Beemden (deelgebied 21) naar 1 ha.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Behoud van de bijzondere hydrologie. Kwaliteitsvereisten zijn o.m.: beperkte aanwezigheid boomopslag in de habitat; een natuurlijke hydrologie; voldoende voedselarme waterlichamen; afwezigheid van karperachtigen.

Omschrijving populatiedoelstelling

Behoud huidige populatiegrootte (146-170 broedparen).

Kwaliteitsdoelstelling
=
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Minstens behoud van huidige kwaliteit leefgebied met specifiek beheer voor behoud en verbetering moeras- en rietvegetaties.

Omschrijving populatiedoelstelling

Duurzame vestiging van Bruine kiekendief als vaste broedvogel met 3 broedparen: in 3 deelgebieden (Demerbroeken, Webbekomsbroek en Schulensbroek), met telkens 1 broedpaar. Bruine kiekendief vereist ca. 100-200 ha geschikt leefgebied. Er is geen extra oppervlakte leefgebied voor deze soort nodig. De kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen inzake het leefgebied worden volledig gedekt door de doelen voor Roerdomp, Porseleinhoen en Kwartelkoning.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Het komt er op neer de kwaliteit van het leefgebied te versterken:

  • meer openheid in Demerbroeken door verwijderen van aanplanten;
  • minder verstoring door o.a. beperking recreatie (Demerbroeken en Schulensbroek) / actieve nestbescherming.
Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud van de soort als pleisteraar en overwinteraar. Aangezien er geen sprake is van een lokale populatie worden geen populatiedoelstellingen geformuleerd. De in de SBZ aanwezige aantallen zijn naast de habitatkwaliteit ook afhankelijk van het broedsucces in de kern-broedgebieden van de soort (o.a. Nederland). Er wordt geen extra oppervlakte leefgebied voor deze soort voorzien

Kwaliteitsdoelstelling
=/↑
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Maximaal behoud en toename van de oppervlakte geschikte foerageergebieden: natte graslanden en ondiepe vijvers met goede waterkwaliteit.

Omschrijving populatiedoelstelling

We streven naar populaties in 5 deelgebieden (deelgebied 1: op 2 locaties nl. in de Vallei van de Grote Laak (aansluitend bij de huidige vindplaats waar nog voortplanting plaatsvindt) en aan de rand van Vorsdonkbos; deelgebied 2: Wijgmaalbroek; deelgebied 9: Zallaken; deelgebied 11: omgeving Molenheide: op ca. 2 km van gekende locatie en deelgebied 19: Demerbroeken) door verbetering van de kwaliteit van het actueel of potentieel leefgebied. De kwaliteitsdoelen staan in de rechterkolom beschreven. Uitbreiding van het huidig aantal populaties, kaderend in een soortenbeschermingsplan, door aanleg/herstel geschikte leefgebieden (zie kwaliteitsdoelstelling).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • 1. Voldoende waterhabitats: telkens een cluster van minstens 3 geschikte poelen van verschillende diepte. Dit gebeurt door behoud van de bestaande geschikte poelen en waar nodig aanpassing van bestaande poelen en/of aanleg van extra poelen. Indien het in een bepaald deelgebied onmogelijk blijkt om poelen in te richten die zonder mechanische tussenkomst nagenoeg jaarrond water bevatten, vervalt de doelstelling voor dat deelgebied.
  • 2. Kwaliteit van het waterhabitat: voor de soort geschikte abiotische en biotische omstandigheden : visvrije poelen zonder inspoeling van nutriënten. De poelen hebben voldoende diepe zones, opdat ze niet droogvallen voor augustus, en zijn bereikbaar voor bestaande populaties.
  • 3. Kwaliteit van het landhabitat : Kleinschalig landschap met opgaande vegetatie in nabijheid van waterhabitat.
Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties binnen de SBZ’s. Vanuit het voorzorgsprincipe wordt nagegaan op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de leefgebieden maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen of kunnen verkeren. Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, foerageergebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch is er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de foerageerbiotopen aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden. De herinrichting van de Demervallei tussen Diest en Werchter betreft een grootscheeps investeringsproject, waarvoor ook nog andere voorbereidende studies dienen opgemaakt te worden, zodat de fysische en praktische haalbaarheid van ecologisch herstel kan bekeken worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Verblijfplaatsen in bomen
    Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied.
  • Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten
    De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt. Wanneer, bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden, per toeval een nieuwe vleermuisverblijfplaats wordt ontdekt, dienen de nodige inspanningen te worden gedaan om de verblijfplaats op dezelfde plaats te behouden. Indien dit onmogelijk blijkt te zijn, moet in de onmiddellijke omgeving een goed alternatief worden voorzien. Gezien het feit dat vleermuizen slechts zeer langzaam nieuwe verblijfplaatsen in gebruik nemen, verdient de eerste optie de voorkeur.
  • Insectenrijkdom
    Maatregelen die de insectenrijkdom verhogen, komen alle vleermuissoorten ten goede. Hieronder valt het nastreven van: (1) goed ontwikkelde, golvende bosranden als geleidelijke overgang van het bos naar het open landschap; (2) goed ontwikkelde kruid- en struiklaag in de bossen; (3) waterlichamen met een goede waterkwaliteit en met natuurlijke oevers met oevervegetatie; (4) soortenrijke graslanden en ruigtes (habitattype 6430).
  • Connectiviteit en landschappelijke diversiteit
    Behoud en versterken van de connectiviteit tussen de (deel)leefgebieden en nastreven van landschappelijke diversiteit. Dit omvat het creëren van open ruimte binnen de grote bosgehelen (netwerk van open plekken en boswegen met mantel- en zoomvegetaties) en de uitbouw van een netwerk van kleine landschapselementen in de open gebieden waar de creatie van grote, ononderbroken hooi-/rietlandcomplexen niet voorop staat. Handhaving of herstel van ecologisch waardevolle vijvers, plassen en waterlopen met een goede waterkwaliteit (zie ook doelen vijver- en moeraslandschap; rivier; conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009) voor wat betreft de Demer). Binnen deze groep bevinden zich soorten die bijzonder lichtschuw zijn (Meervleermuis en Watervleermuis) en het beperken van verlichting ter hoogte van de foerageergebieden en op de vliegroutes zal dan ook een belangrijk aandachtspunt zijn. Waar mogelijk moet verlichting worden verminderd of uitgeschakeld. Nieuwe verlichting of verhoogde blootstelling aan verlichting (bijvoorbeeld door verwijderen van vegetatiescherm) moet worden vermeden.
Omschrijving populatiedoelstelling

Streven naar vestiging Kleine zilverreiger als vaste broedvogel in de SBZ-V. Streven naar een broedkolonie van minstens 2 broedparen. Er is geen extra oppervlakte leefgebied voor deze soort nodig. De kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen inzake het leefgebied worden volledig gedekt door de doelen voor Roerdomp, Porseleinhoen en Kwartelkoning.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Zie doelen voor Porseleinhoen en Roerdomp (Landschap: Vallei - vijver- en moeraslandschap) en Kwartelkoning (Landschap: Vallei - natte graslanden en ruigten).

Omschrijving populatiedoelstelling

Behoud van de overwinterende en doortrekkende aantallen, Door realisatie van de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009); kunnen de aantallen nog verder toenemen.

Kwaliteitsdoelstelling
=
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitseisen zijn gedekt door de andere vogelsoorten vernoemd in het Landschap Vallei - vijver- en moeraslandschap en Kwartelkoning (Landschap: Vallei - natte graslanden en ruigten).

Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud van de actuele populatie met minimaal 200 roepende mannetjes per populatie, die zich in één grote of meerdere kleine, nabijgelegen waterpartijen voortplanten.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verhogen van de kwaliteit van het leefgebied :goede waterkwaliteit, samenhang van de voortplantingsplaatsen , geen hybridisatie van poelkikker met meer- en bastaardkikker.

Omschrijving populatiedoelstelling

Jaarlijkse broedvogel met minstens 7-8 broedparen: duurzame vestiging als succesvolle broedvogel in 3 gebieden. Er wordt een duurzame vestiging in de Demerbroeken beoogd door toename van het leefgebied met 50 ha, waarvan 25 ha door omvorming. In overige gebieden wordt ingeschat dat de soort tot broeden komt door de realisatie van de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen inzake het leefgebied voor Roerdomp, en Kwartelkoning. Dit vereist in elk van deze gebieden voldoende grote, open, permanent natte moerasvegetaties (grote zeggenvegetaties, jonge gemaaide rietlanden en/of lage grazige vegetaties in permanent ondiep water) van min. 15 ha.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Toename van de oppervlakte geschikt leefgebied - zie ook doelen voor Roerdomp (Landschap: Vallei - vijver- en moeraslandschap) en Kwartelkoning (Landschap: Vallei - natte graslanden en ruigten) - door :

  • specifieke inrichting en beheer (Grote zeggenvegetaties, ondiepe oevervegetaties, jong rietland, dotterbloemgraslanden, pitrusvegetaties …) met overgangszones naar natte graslanden ;
  • creëren van meer openheid; vooral in de Demerbroeken

.

Omschrijving populatiedoelstelling

Duurzame vestiging van Roerdomp als vaste broedvogel met 4-5 broedparen: duurzame vestiging als succesvolle broedvogel in 3 gebieden. Dit houdt een toename van de oppervlakte leefgebied in, vooral door omvorming (110-125 ha-grotendeels kwaliteitsverbetering bestaande natuur) en uitbreiding (10-20 ha): tot in totaal voor de hele SBZ-V 140-200 ha geschikt leefgebied waarvan minstens 70-100 ha waterriet in volgende deelgebieden :

  • Demerbroeken (Kloosterbeemden, Vierkensbroek): creatie van geschikt leefgebied van 60-100 ha, grotendeels door omvorming (35-45 ha) en uitbreiding (10-20 ha) aansluitend bij het bestaande open water en rietvegetaties
  • Schulensbroek, binnenbekken: via inrichting (omvorming) komen tot een oppervlakte van 46 ha rietland
  • Molenstedebroek: streven naar 30-50 ha leefgebied waarvan 15 ha open water, door omvorming
  • Rosse beemden, Schalbroekvijvers en Kleenmeulen : gedeeltelijk leefgebied als corridor naar vijvergebied Midden-Limburg.
Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Vijvers met waterriet en recreatie zodanig gestuurd dat waterrietzones maximale rust kennen. De kwaliteitseisen voor deze soort zijn ook sturend voor Woudaap en Blauwborst. Landschappelijk open waterrijke moerassen met de volgende kenmerken zijn nodig :

  • geschikt leefgebied, bestaande uit rietland, moerasvegetaties (>50%) en open water (> 30%);
  • voldoende geschikte randzones (waterriet/ondiep water/oeverplantenvegetaties;
  • helder water met goede waterkwaliteit en een hoog voedselaanbod (jonge vis, ongewervelden, amfibieën);
  • voldoende rust (vooral in Kloosterbeemden) en waar mogelijk het creëren van predatievrije broedgelegenheden tijdens broedperiode;
  • open vijverlandschap;
  • gevarieerde leeftijdsstructuur van de rietvegetaties: per broedkoppel is er nood aan minimaal 0,5 tot 2ha overjarig riet of lisdodde met een voldoende dikke kniklaag (opstapeling van oude stengels);
  • aanwezigheid verlandingsvegetaties (niet enkel riet/lisdodde, maar ook ondergedoken en drijvende watervegetaties);
  • hoog waterpeil in de leefgebieden tijdens het broedseizoen;
  • meanderende Demer in natuurlijke relatie met de komgronden als leef- en foerageergebied.
Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verblijfplaatsen in bomen: Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied. Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten: De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt.

Vallei - waterlopen

Oppervlaktedoelstelling
=/+
Omschrijving oppervlaktedoelstelling

Minstens behoud van de huidige oppervlakte van enkele tientallen m² in de Kleine Beek (deelgebied 22) en eventueel een kleine toename (bv. herstel in de Heideloop, deelgebied 10).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering kwaliteit : herstelde waterhuishouding, waterkwaliteit en morfologie.

Omschrijving populatiedoelstelling

Aanwezigheid van reproducerende bittervoorns in minimum 50 % van de in SBZ-H gelegen vijvers en grachtenstelsels. Streefcijfer populatiegrootte: 400 ind/ha en 2500 ind/ha op de voortplantingsplaatsen zelf.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Kwaliteitsverbetering van het leefgebied: waterkwaliteit en vrij van migratieknelpunten. De connectiviteit tussen de hoofdwaterlopen (vooral Demer) en de zijlopen of grachtenstelsels dient gegarandeerd te worden (conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009);). Behoud of herstel van voor Bittervoorn geschikt leefgebieden: waterplantrijke, zwak stromende of stilstaande waters met zoetwatermossels en voldoende zuurstof. Dit geldt zowel voor de waterlopen, vijvers als voor de grachtenstelsels. Bij regulier vijver- en waterloopbeheer dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de aanwezige populatie van Bittervoorn en grote zoetwatermossels.

Omschrijving populatiedoelstelling

Herstel van recent gedegradeerde populaties (deelgebied 1-Vorsdonkbos-Turfputten; deelgebied 10-Averbode; deelgebied 20-Gorenbeekvallei; deelgebied 22-Vallei van de Drie Beken) en instandhouding onder meer door optimaal beheer van actuele en eventuele nieuw gevestigde populaties. Streven naar (meta-) populaties van minstens 50 m².

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied : fosfaatarm water, de waterbodem vrij gehouden van organisch sediment, beken gefaseerd geruimd, waarbij de relictpopulaties gespaard blijven.

Omschrijving populatiedoelstelling

Herstel van een duurzame populatie in het Vorsdonkbos-Turfputten (deelgebied 1), Lobos (deelgebied 12), Schulensbroek (deelgebied 13) en de Demercoupures (deelgebieden 3-8). Hervestiging vanuit de stroomopwaartse populatie te Hasselt.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied: ondiepe moerassige plaatsen in contact met beken en rivieren, zonder migratieknelpunten; natuurlijke waterpeilen en natuurlijke overstromingsdynamiek in de Demervallei (voor deelgebieden 1, 3-8 en 19 : conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009)); plantenrijke (eventueel droogvallende) waterpartijen in de vallei, gecombineerd met herstel van habitattype 3150; slib- en kruidruimingen zijn beperkt; geen watervervuiling (Grote Laak, opheffen overstort Vroente, Winterbeek, Herk, Oude Herk).

Omschrijving populatiedoelstelling

Minstens behoud van actuele populatie (26-37 territoria).

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verhogen kwaliteit leefgebied: betere waterkwaliteit; behoud van potentiële nestlocaties; geschikte natuurlijke oevers conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009); geen verstoring; plaatselijk (in de meeste natte bossen) laten liggen van omgewaaide bomen met wortelkluit.

Omschrijving populatiedoelstelling

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties binnen de SBZ’s. Vanuit het voorzorgsprincipe wordt nagegaan op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de leefgebieden maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen of kunnen verkeren. Iedere soort heeft haar eigen ecologische niche en dus haar eigen vereisten inzake zomerverblijfplaatsen, foerageergebieden, winterverblijfplaatsen en connectiviteit. Toch is er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en kunnen op basis van de foerageerbiotopen aanvullende kwaliteitseisen geïdentificeerd worden. Met die kennis kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ-H geformuleerd worden. De herinrichting van de Demervallei tussen Diest en Werchter betreft een grootscheeps investeringsproject, waarvoor ook nog andere voorbereidende studies dienen opgemaakt te worden, zodat de fysische en praktische haalbaarheid van ecologisch herstel kan bekeken worden.

Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

  • Verblijfplaatsen in bomen
    Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied.
  • Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten
    De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt. Wanneer, bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden, per toeval een nieuwe vleermuisverblijfplaats wordt ontdekt, dienen de nodige inspanningen te worden gedaan om de verblijfplaats op dezelfde plaats te behouden. Indien dit onmogelijk blijkt te zijn, moet in de onmiddellijke omgeving een goed alternatief worden voorzien. Gezien het feit dat vleermuizen slechts zeer langzaam nieuwe verblijfplaatsen in gebruik nemen, verdient de eerste optie de voorkeur.
  • Insectenrijkdom
    Maatregelen die de insectenrijkdom verhogen, komen alle vleermuissoorten ten goede. Hieronder valt het nastreven van: (1) goed ontwikkelde, golvende bosranden als geleidelijke overgang van het bos naar het open landschap; (2) goed ontwikkelde kruid- en struiklaag in de bossen; (3) waterlichamen met een goede waterkwaliteit en met natuurlijke oevers met oevervegetatie; (4) soortenrijke graslanden en ruigtes (habitattype 6430).
  • Connectiviteit en landschappelijke diversiteit
    Behoud en versterken van de connectiviteit tussen de (deel)leefgebieden en nastreven van landschappelijke diversiteit. Dit omvat het creëren van open ruimte binnen de grote bosgehelen (netwerk van open plekken en boswegen met mantel- en zoomvegetaties) en de uitbouw van een netwerk van kleine landschapselementen in de open gebieden waar de creatie van grote, ononderbroken hooi-/rietlandcomplexen niet voorop staat. Handhaving of herstel van ecologisch waardevolle vijvers, plassen en waterlopen met een goede waterkwaliteit (zie ook doelen vijver- en moeraslandschap; rivier; conform de doelstellingen van Ontwikkelingsplan Demer (Bekkenbeheerplan 2009) voor wat betreft de Demer). Binnen deze groep bevinden zich soorten die bijzonder lichtschuw zijn (Meervleermuis en Watervleermuis) en het beperken van verlichting ter hoogte van de foerageergebieden en op de vliegroutes zal dan ook een belangrijk aandachtspunt zijn. Waar mogelijk moet verlichting worden verminderd of uitgeschakeld. Nieuwe verlichting of verhoogde blootstelling aan verlichting (bijvoorbeeld door verwijderen van vegetatiescherm) moet worden vermeden.
Kwaliteitsdoelstelling
Omschrijving kwaliteitsdoelstelling

Verblijfplaatsen in bomen: Uit de beoordeling van de habitats in de bossfeer bleek dat de groeiklasse 7 of zeer dik hout (met diameter op borsthoogte vanaf 80 cm of omtrek vanaf 250 cm) bijna nergens voorkomt. Met oog op de het verhogen van het aanbod aan verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen moet een toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere rottingsholten en losse schors) worden nagestreefd, met een goede spreiding ervan over het gehele boscomplex. Richtwaarde uit de literatuur: 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op holteontwikkeling neemt immers toe met de diameter van de bomen. Uit een studie van Dufour (2003) blijkt dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (= 5 % kans op holten). 1 op 3 bomen met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Bijgevolg dient een toename van het aandeel dikke bomen (groeiklasse 7, diameter ?80 cm) te worden beoogd op niveau van het hele habitatrichtlijngebied. Verblijfplaatsen op kerkzolders, in ijskelders, bunkers en andere objecten: De gekende verblijfplaatsen in het habitatrichtlijngebied en omgeving (kerkzolder Zelem, Lummen, Zelk, Donk, Fort Leopold en citadel van Diest, ijskelder van het kasteel Ten Hamel), inclusief de objecten waarvan enkel historische waarnemingen bekend zijn, moeten allemaal beschermd worden en in goede staat gehouden zodat ze geschikt zijn en blijven als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Desgevallend kan dit betekenen dat voorafgaandelijk restauratie van het object nodig is. Restauraties dienen steeds oordeelkundig te gebeuren in samenspraak met experts (o.a. tijdstip werkzaamheden is een belangrijke factor). Daarnaast is het verzekeren van rust in de nabije omgeving van de objecten ook een belangrijk aandachtspunt.

Johan Toebat
Agentschap voor Natuur en Bos