Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Gevlekte witsnuitlibel

Leucorrhinia pectoralis
Fauna
Weekdieren en geleedpotigen

+

Uitbreiding van het huidige areaal tot de volledige Kempen en de Scheldevallei tussen Gent en Antwerpen

+

Uitbreiding van de huidige populatie

+

Oplossen van ongunstige waterkwaliteit, eutrofiëring en/of verzuring, niet afgestemd menselijk gebruik, vegetatiewijziging, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

De Gevlekte witsnuitlibel is een fors gebouwde witsnuitlibel van ca. 3,5 cm groot, met grote, brede rode of oranje vlekken op een zwart achterlijf en wit gekleurd voorhoofd. Dit is de grootste en meest robuuste witsnuitlibel in onze regio. Kenmerkend voor de witsnuitlibellen zijn de donkere vlekken in de achtervleugelbasis. Mannetjes hebben een onmiskenbare gele vlek op het zevende achterlijfsegment. Bij wijfjes zijn de grote, brede vlekken oranjegeel i.p.v. rood. Die vlekken zijn veel groter dan bij de wijfjes van de andere witsnuitlibellen. Bij oudere vrouwtjes worden de achterlijfsvlekken oranjegeel, behalve de vlek op segment 7: die blijft helder geel. De achterlijfsaanhangselen en pterostigma’s zijn zwart.

Geslachtsrijpe mannetjes bezetten zitposten aan de waterkant en verjagen andere mannetjes die in de buurt komen. Voorbijvliegende vrouwtjes worden direct gegrepen voor de paring. Het vrouwtje zet de eitjes al vliegend af, op plaatsen met veel waterplanten. Vaak wordt ze hierbij bewaakt door het mannetje dat vlak boven haar blijft vliegen. Het komt echter ook voor dat het vrouwtje ervoor kiest om de eitjes op een later tijdstip af te zetten, zonder de aanwezigheid van een mannetje.

De Gevlekte witsnuitlibel is in zeer kleine aantallen bekend uit de Antwerpse en Limburgse Kempen: de Kalmthoutse Heide, een ven te Herentals, het Turnhouts vennengebied, Den Diel en het Buitengoor te Mol, de Vallei van de Ziepbeek te Lanaken, de Mechelse Heide te Maasmechelen en het Turfven te Opglabbeek. Buiten de Kempen is er nog een recente waarneming uit Bornem. Reproducerende populaties werden echter nog niet met zekerheid vastgesteld. Oude waarnemingen zijn bekend van laagveenplassen in de Scheldevallei in Oost-Vlaanderen.

De soort komt in heel West-Europa slechts vrij lokaal voor en bijna steeds in (zeer) lage aantallen. De juiste oorzaken van achteruitgang en bedreiging zijn niet bekend, maar vermoedelijk speelt een combinatie van vermesting, verzuring en uitzetten van vis een belangrijke rol. Dit leidt tot een daling van de waterkwaliteit en tot het lokaal verdwijnen van de soort. De dagactieve larven zijn gevoelig voor vispredatie. Zowel een volledige verlanding van het open water als het niet laten optreden van natuurlijke verlandingsprocessen kan lokaal ook een rol gespeeld hebben bij het verdwijnen van populaties.

Een goede waterkwaliteit is cruciaal. Het extern beheer dient gericht op het weren van eutrofiëring door landbouw- of rioolwater en/of overstroming met zeer voedselrijk water. Ook een natuurlijke visstand waarbij bepoting met vis achterwege blijft, is van groot belang voor deze soort.
Een mogelijke maatregel om verzuring van heidevennen te bestrijden, is het herstel van de aanvoer van gebufferd grondwater, door in nabijgelegen infiltratiegebieden ontwatering tegen te gaan en infiltratie te bevorderen (bv. door kappen van naaldhoutbos). Open water in volledig verlande laagveenplassen en matig voedselrijke heidevennen kan worden hersteld door voorzichtige, in de tijd gefaseerde ruiming.
Door natuurlijke successie is het oppervlak aan jonge verlandingsstadia in laagveengebieden afgenomen. Toch blijkt dit een goed habitat te zijn, goede vennen niet te laat maar ook niet te vroeg ruimen is belangrijk.

In Vlaanderen is deze libel te vinden aan mesotrofe tot licht eutrofe plassen, laagveenmoerassen en voedselrijke heidevennen. Het water is meestal vrij helder, ondiep en door omringend struweel of bos beschut gelegen. De oevervegetatie is steeds goed ontwikkeld en bestaat uit ondermeer Riet, Grote of Kleine lisdodde en zeggensoorten. De hoeveelheid drijvende waterplanten is beperkt. De eitjes worden door het wijfje afgezet op het wateroppervlak. De larven leven gedurende twee jaar tussen waterplanten of op de waterbodem.

Tot voor kort werd gevreesd dat deze soort uitgestorven was in Vlaanderen. Sinds 2000 zijn echter opnieuw waarnemingen in zeer kleine aantallen bekend. In 2012 is er een influx geweest van Gevlekte witsnuitlibellen in onze regio, met honderden waarnemingen in Vlaanderen.