Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Grauwe klauwier

Lanius collurio
Fauna
Vogels

+

Uitbreiding van het huidige areaal tot minimaal 1.250 km²

+

Uitbreiding van de huidige populatie tot minimaal 80 broedparen met kernpopulaties van telkens 20 paren

+

Oplossen van tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Uitbreiding van het leefgebied met 400 - 610 ha. Rekening houdend met de referentieoppervlakten van de habitats van Bijlage I van de Habitatrichtlijn is 200 - 350 ha extra leefgebied nodig, naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid. Van die 200-350 ha is 2 ha onder de vorm van habitattype 2330, 2 ha onder de vorm van het habitattype 6410 en 50-70 ha onder de vorm van habitattype 6510 nodig.

De Grauwe klauwier is een forse, langgerekte zangvogel met zware snavel en lange staart. Het mannetje heeft een asgrijze kop met zwart masker en witte keel. De rug is roodbruin, de onderdelen zalmkleurig en de staart zwart met witte zijden. Het vrouwtje en juveniele vogels hebben warmbruine bovendelen en vuilwitte onderdelen. Juveniele vogels hebben bovendien donkere schubjes op kruin, bovendelen en onderdelen. De Grauwe klauwier zit vaak rechtop en beweegt zijn staart nerveus heen en weer. De alarmroep is een herhaald, nasaal en hees klinkend ‘wew’.

Het broedareaal strekt zich uit van Noord-Spanje tot Zuid-Scandinavië, tot halfweg in Azië. Het is een zomervogel van eind april tot september. Grauwe klauwieren trekken in juli tot september weg in zuidoostelijke richting om de overwinteringsgebieden in oostelijk en zuidelijk Afrika te bereiken. In Vlaanderen kende de Grauwe klauwier de voorbije decennia een sterke afname. Een laatste, kleine populatie in Noordoost-Limburg hield stand tot eind de jaren ’90. Na enkele jaren van afwezigheid liet het Vlaamse broedbestand in recente jaren een licht herstel optekenen, vooral in de provincie Limburg (o.a. in de Voerstreek). De soort is ook op doortrek een zeldzaamheid geworden. Ondanks een omvangrijke populatie in Wallonië zijn de toekomstperspectieven voor een duurzaam herstel in Vlaanderen niet bijzonder gunstig.

De soort heeft vooral te lijden onder verstoring of vernietiging van de nestplaats, het verlies van en de verruiging van kleinschalige hooilanden met hagen en de teloorgang van het traditionele hooilandbeheer, versnippering van het broedhabitat en het gebruik van meststoffen en pesticiden met een afnemende rijkdom aan grote insecten tot gevolg.

Een belangrijke beheermaatregel voor deze soort is het herstel van heggen, houtwallen en braamstruweel in de huidige en voormalige broedgebieden. Een op grote insecten, zoals sprinkhanen en mestkevers, gericht beheer met een terughoudend gebruik van insecticiden is noodzakelijk, zeker in perceelsranden en kleinschalige landschapselementen als dijken en wegbermen. Gefaseerd maaien zonder bemesting van graslanden biedt meer foerageermogelijkheden. Voldoende rust moet worden verzekerd in de broedgebieden.

Grauwe klauwieren broeden in kleinschalige, gevarieerde, halfopen tot open cultuurlandschappen met een rijke flora en fauna waar structuurrijke vegetaties van doornstruwelen, bosjes en alleenstaande struiken domineren. Bloemrijke hooilanden en vloeiweiden met veel hagen, inclusief tal van doornstruiken als meidoorn, Sleedoorn en Hondsroos, behoren in Vlaanderen tot de belangrijkste broedbiotopen. In het territorium zijn altijd enkele doornstruiken of prikkeldraad vereist om prooien op vast te spiesen (grote insecten, muizen, hagedissen en kleine vogels). De grootte van de prooivoorraad van de mannetjes zou de vrouwtjes leiden bij het kiezen van een partner. Als nestplaats dienen brede, dichte doornstruiken.

Jaarlijkse broedvogel