Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Vliegend hert

Lucanus cervus
Fauna
Weekdieren en geleedpotigen

=

Behoud van het huidige areaal

+

Uitbreiding van het huidige aantal populaties tot minstens 100 zodanig dat met elkaar verbonden populaties ontstaan met een maximale onderlinge afstand van 3 km.

=

Oplossen van versnippering, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

Recente waarnemingen zijn enkel bekend uit de nabijheid van grotere boscomplexen in Limburg en Vlaams-Brabant. De belangrijkste populaties zijn te vinden in de Voerstreek, diverse bossen in Oost- en Zuid-Limburg, ruime omgeving van het Zoniënwoud (Halle tot Overijse) en Heverleebos. Oude vindplaatsen zijn gemeld van Postel, Merksem, Asse, Liedekerke en mogelijk ook Heuvelland.
Een groot deel van de vindplaatsen bevindt zich niet in grote boscomplexen maar buiten het bos. Vindplaatsen omvatten tuinen, oude hoogstamboomgaarden, steile beboste taluds, houtkanten, parken, holle wegen, laanbomen en bosranden.
In Vlaams-Brabant is het opvallend dat veel vindplaatsen zich bevinden in de buurt van (en niet in) grote boscomplexen zoals het Hallerbos, Zoniënwoud, Meerdaalwoud en Heverleebos. Historisch gezien werden veel van deze bossen beheerd als middelhoutbossen. Ze waren misschien wel arm aan bovengronds dood hout door het intensieve beheer met begrazing en kappingen maar hadden wel een open en lichtrijk karakter. Het ondergrondse hout werd wellicht niet altijd geëxploiteerd. Door omvorming naar opgaande hooghoutbossen gedomineerd door beuk waren deze bossen echter gedurende vele decennia dicht en donker. In dergelijke bossen dringt de warmte niet meer door tot in de bodem en verdwijnt het microhabitat van de zuidhellingen. In de omgeving van deze bossen zijn er echter tal van bosrelicten bij holle wegen en steile taluds waar het open karakter en lokaal warmer microhabitat bewaard is gebleven. In deze relicten kon de soort wel overleven en was ze in staat hoogstamboomgaarden, tuinen en laanbomen in de onmiddellijke omgeving te koloniseren.

In de Limburgse kempen is er mogelijk een ander verhaal. Het aantal waarnemingen is hier nog te beperkt maar het lijkt er op dat het vliegend hert hier wel in de bossen voorkomt. Dit is logisch omdat zandige bodems sneller opwarmen en de bossen, vaak gedomineerd door eik en berk, veel minder gesloten zijn dan beukenbossen.

Grote, open eikenbossen met oude, dode of afstervende loofbomen zijn door versnippering en onaangepast bosbeheer nagenoeg verdwenen. Om veiligheidsredenen worden langs wegen, bosranden en in parken oude, dode bomen verwijderd. Ook oude, zieke bomen met uitvloeiende sapstroom worden opgeruimd.

Voor het behoud van het Vliegend hert is een aangepast bosbeheer nodig, waarbij wordt gestreefd naar een open bosstructuur met aanwezigheid van gezonde, oude zieke of gekwetste en afgestorven bomen en/of hakhoutstoven. Sapbomen, bomen met wonden waar sap uitloopt, worden gespaard. Populaties kunnen ook vergroten door bosuitbreiding, het vrij zetten van oude eiken of eikenstronken of de aanleg van kunstmatige broedhopen op zuidgeëxposeerde plaatsen.

Maatregelen bossen

Vliegend hert is in vele bossen zeer zeldzaam geworden of zelfs verdwenen. Bij grotere bosgebieden is de continuïteit van ondergronds dood hout niet de grootste bedreiging voor het vliegend hert. De achteruitgang heeft hoofdzakelijk te maken met het feit dat deze bossen te donker zijn. Vroeger waren bossen lichtrijker door hakhout- en middelhoutbeheer, bosbegrazing en overexploitatie. Momenteel wordt de grootte van kapvlakte sterk beperkt, wordt er na het kappen onmiddellijk opgeplant en is er vaak een sterke dominantie van schaduwboomsoorten.
Het is daarom belangrijk meer licht door te laten in het bos en dit vooral aan zuidranden en op steile zuidhellingen. Dit kan door het aanleggen van geleidelijke bosranden, creëren van interne bosranden door aanleg van open plekken, herstellen van voormalig hak- en middelhoutbeheer, behoud van stormvlaktes (instellen van bosreservaten), vergroten van de kapvlaktes en 10 jaar wachten alvorens aan te planten. Deze periode van 10 jaar moet voldoende zijn om enkele opeenvolgende generaties van vliegend hert te laten ontwikkelen zodat de kever in staat zou zijn telkens opnieuw andere kapvlaktes te koloniseren.

Op deze lichtrijke plaatsen en steile zuidhellingen moet extra aandacht gaan naar het voorzien en behouden van liggend dood hout. Het verwijderen van stronken is in het bos sowieso niet toegestaan. Kunstmatige broedhopen kunnen bv. gebouwd worden in bosranden en op open plekken maar de voorkeur gaat uiteraard naar van nature aanwezig dood hout dat voor meerdere organismen geschikt is.

De overschaduwing door de boomlaag mag slechts ongeveer de helft zijn om de bodem voldoende te laten opwarmen. Het is dus belangrijk om de maatregelen voor deze soort te concentreren rond bestaande (interne) bosranden, open plekken en extra aandacht te geven aan het creëren van geschikte open situaties op steile zuidhellingen. Een geschikt beheer over het gehele bos is niet haalbaar. Verder is het belangrijk om aan te geven dat gesloten bossen geschikt habitat vormen voor allerlei andere zeldzame dood-hout organismen (zoals bv. blauw vliegend hert, rolrond vliegend hert, lederboktor, Stictoleptura Scutellata).

Maatregelen buiten het bos

Kleine landschapselementen die geschikt kunnen zijn voor vliegend hert bestaan uit (al dan niet gekapte) bomen(rijen) en dreven; holle wegen, taluds of kleine hakhoutbosjes; hoogstamboomgaarden en in mindere gevallen ook uit oude hagen en struwelen. Bij gekapte bomen is het uiteraard belangrijk om de stobben te behouden en te zorgen dat ze niet te sterk overschaduwd worden door bv. groenblijvende bomen of struiken. H Het afzagen van bomen op enige hoogte boven de grond (bv. 1m) maakt ze ook interessant voor allerlei andere dood-houtkevers. Dergelijke stobben kunnen vele tientallen jaren een geschikt broedsubstraat vormen en door ze hoger af te zagen blijven de bomen visueel zichtbaar waardoor er meer rekening mee gehouden word.

Ook oude levende bomen kunnen dode wortels hebben bv. door stormen of blikseminslagen. Dergelijke bomen gaan vaak gestaag achteruit en leveren zodoende dood ondergronds hout over een lange periode. Indien er actueel voldoende dood hout aanwezig is, is het veel beter om zieke en aftakelende bomen spontaan te laten sterven en later te behouden als staande dode boom. Natuurlijk afstervende bomen zijn immers voor tal van organismen die gebonden zijn aan dood hout belangrijk. In parken en bij laanbomen is het behoud van zieke en dode bomen niet altijd mogelijk. Het gefaseerd vervangen van rijen en dreven (bv. om de 10 jaar enkele bomen kappen en vervangen) kan dan een oplossing bieden. Het creëert immers een continuïteit aan geschikt ondergronds dood hout voor vliegend hert over een lange tijdsperiode. Vanuit landschappelijk standpunt wordt gefaseerd kappen meestal afgeraden maar voor een complex van verschillende dreven (of bv. parken) die bij elkaar liggen kan dit wel mogelijkheden bieden. Bomen die afgezaagd worden op 1m boven de grond zijn voor tal van dood-houtorganismen veel interessanter dan bomen die tegen de grond afgezaagd worden.

Het is opvallend dat vele holle wegen en taluds waar vliegend hert nog voorkomt bestaan uit een hakhout van Valse Acacia. Deze boomsoort laat immers zeer veel licht door, groeit snel maar heeft toch hard hout en bij het afzetten van stobben en bomen sterft vaak de boom zelf af maar lopen de wortels opnieuw uit. Hierdoor produceert deze soort meer dood hout dan andere boomsoorten. Vermits Valse Acacia een uitheemse boomsoort is die moeilijk te verwijderen is, raden we niet aan om deze boomsoort te gaan aanplanten voor vliegend hert. Wel is het belangrijk om bij bestaande taluds en holle wegen met Valse Acacia niet zomaar over te gaan tot bestrijding van deze boomsoort zonder eerst de aanwezigheid van vliegend hert na te gaan.

Hakhout

Hakhoutbosjes, vaak langs holle wegen of taluds, kunnen ook geschikt dood hout hebben voor het Vliegend hert. Oude hakhoutstobben hebben immers vrij veel dood wortelhout omdat de stobbe zich aan de buitenzijde verjongt en het interne deel afsterft. Door stamstukken van de afgezette stoven te laten liggen of aan de zuidrand in te graven kan de hoeveelheid dood hout nog verhoogd worden. Het is belangrijk om de stamstukken niet in te graven op plaatsen waar al larven in de bodem zitten. Schaduwboomsoorten als Haagbeuk, Hazelaar of Esdoorn worden wellicht beter vermeden. Ook hier is het gefaseerd afzetten beter voor vliegend hert en dit zorgt tevens voor een beter arbeidsverdeling.
Het creëren van nieuwe hakhoutbossen die geschikt zijn voor deze soort kan enige tijd duren en het is dus aan te raden dit te combineren met de aanleg van kunstmatige broedhopen. Het verkregen hout van hakhoutbosjes is ook zeer geschikt voor de bouw van nieuwe broedhopen. Broedplaatsen kunnen zich ook bij oude hoogstamboomgaarden bevinden. Door het verwaarlozen van het beheer bestaan dergelijke boomgaarden vaak uit oude en kwijnende bomen naast afgestorven bomen. Ook hier is het belangrijk de bomen te behouden, dode bomen te laten staan of op zekere hoogte af te zagen en dode takken en stammen tegen de stobben te stapelen. Verder moeten dergelijke boomgaarden opnieuw aangevuld worden met nieuwe hoogstammen om ook in de toekomst voldoende oude en dode bomen te hebben.

Parken en vele andere openbare terreinen (scholen, speeltuinen, groenvoorzieningen in woonwijken, openbare tuinen, pleinen, …) bestaan vaak uit een combinatie van bomenrijen of kleine groepjes bomen, oude stobben, bosjes en/of hakhoutstruwelen. Het beheer kan dus een combinatie zijn van de hier boven vermelde beheersmaatregelen. Voordeel van deze openbare terreinen is dat het eenvoudiger is om er een geschikt beheer te voeren.

Broedhopen

Op openbare terreinen, maar ook in tuinen kunnen extra initiatieven ondernomen worden om uitwijkplaatsen te creëren voor verdwijnende populaties. Zo kunnen er kunstmatige broedhopen gebouwd worden die gekoloniseerd kunnen worden of kunnen treinbielzen met larven uit privé tuinen (waar de soort niet welkom is) naar deze locaties getransporteerd worden. Verder kunnen deze parken als een voorbeeldfunctie dienen voor dood-hout vriendelijk tuinbeheer. De aanleg van broedhopen kan gebeuren als publieksactiviteit of als educatieve actie door scholen.
Sinds eind jaren ‘90 wordt er in tal van Europese landen broedhopen gebouwd. Vooral in Groot Brittannië werden de kunstmatige broedhopen populair. Dit valt voornamelijk te verklaren doordat er veel populaties in tuinen voorkomen. Onder deze impuls werden er in Groot-Brittannië allerlei varianten ontwikkeld op het Duitse concept van broedhopen.

Het aanleggen van broedhopen is pas interessant als dit gebeurt in een gebied waar vliegend hert voorkomt of kan geraken. Het succes van broedhopen in het buitenland bleef bijna altijd beperkt tot plaatsen waar er al eerder vliegende herten gezien waren. Een broedhoop wordt het best aangelegd op een plaats met niet te veel schaduw. Dit kan aan een bosrand, open plek, onder een alleenstaande boom in een park of tuin of gelijkaardige situatie zijn maar ook in de volle zon. We kiezen best voor de zuidrand van het bos of voor een zuidhelling of plateau en beter niet voor een noordhelling. Verder is het natuurlijk belangrijk een locatie te kiezen waar de broedhoop gedurende een lange periode kan blijven liggen. In publiek bezochte gebieden wordt er best rekening gehouden met veiligheid en vandalisme. Plaats de broedhoop ofwel uit het zicht of net langs een pad met een informatiebord. Spelende kinderen op een broedhoop vormen in principe geen probleem voor de larven. De constructie moet dan stevig gebouwd worden.

Het aanleggen van een broedhoop kan een ideale publieksactiviteit zijn om met een natuurvereniging of schoolklas uit te voeren.
We gebruiken enkel loofhout, liefst met de schors er nog aan. Het gebruikte hout mag variëren in boomsoort, dikte en ouderdom (vertering). Bij de boomsoorten zijn eik, beuk en fruitbomen het meest interessant voor een rijke insectenfauna. Zachte snel verterende houtsoorten, zoals berk, populier en wilg worden best vermeden. In dikte kunnen de stammen variëren van 5cm tot 30-40cm of zelfs dikker indien dergelijk hout ter beschikking is. Vers hout kan al het eerste jaar gekoloniseerd worden. Voor een broedhoop met een doormeter van 2 meter heb je ongeveer een tiental dikke stammen (30-40cm) nodig van 75 tot 150cm lang, enkele honderden dunnere stammen en eventueel verhakseld hout.

Het is de bedoeling dat de broedhoop gedurende een zeer lange periode geschikt is voor de larven van het vliegend hert. Daarom is het belangrijk dat de broedhoop traag afbreekt. Het is daarbij interessant om te weten dat dik hout trager afbreekt dan dun hout, hout met schors trager dan zonder, harde houtsoorten veel trager dan zachte houtsoorten.
Verder is het belangrijk dat de broedhoop niet uitdroogt in de zomer. Hiervoor is het goed om grond, schors, houtsnippers of zagemeel van loofhout te gebruiken om de holtes tussen de stammen op te vullen. Dit voorkomt uitdroging, bevorderd de schimmelgroei en zorgt ervoor dat de larven van de ene naar de andere stam kunnen kruipen. Uiteraard gebruiken we geen zagemeel waar olieresten van zaagmachines in zitten.

Aanleg:
Op een oppervlakte van 2m doormeter wordt een put van 0,5m diep gegraven. Het contact tussen grond en dood hout is zeer belangrijk vermits de larven van vliegend hert in de grond verpoppen. Er werd wel eens geëxperimenteerd met broedhopen bovengronds te maken en nadien aan te aarden met grond. Dergelijke constructies drogen echter te snel uit en zijn vaak niet geschikt. De stammen worden verticaal in de put geplaatst. De langste stammen in het midden van de broedhoop steken 0,5m in de grond en 1m (minder kan ook) boven de grond. De stammen worden ring per ring bijgeplaatst rond de hoogste centrale stam en telkens goed bijeengebonden. Dit bijeenbinden vermijdt gaten in de constructie en het openvallen nadien. Naar buiten toe wordt met kortere stammen gewerkt zodat een piramidevorm verkregen wordt. Als de constructie goed is opgebouwd zijn de draden op het einde niet meer te zien.
Gaten tussen de stammen worden opgevuld met grond, schors, houtsnippers of zagemeel en ook de rand van de put wordt verder opgevuld met schors, houtsnippers of zagemeel. Daarna brengen we aan de putrand een laag aarde aan tot tegen de buitenste stammen en drukken goed aan.

Verder onderhoud:
Een goede opvolging van de broedhoop is belangrijk. Het INBO zal de gegevens van alle aangelegde broedhopen bijhouden en na een paar jaar de aanwezigheid van vliegend hert of andere dood-houtkevers proberen na te gaan. Opgraven van larven als controle wordt best vermeden om verstoring te vermijden. Verder is het belangrijk dat de eigenaar (in het begin jaarlijks) controleert of de broedhoop niet te sterk uitdroogt, niet te veel overschaduwd wordt (gesloten bosbestand) en niet volledig overwoekerd wordt door bramen of brandnetels. Een beperkte plantengroei is geen probleem en kan zelfs nuttig zijn om extra schaduw te geven op meer open plaatsen. Na enkele jaren worden de spleten eventueel opnieuw opgevuld met houtsnippers (om de 5 jaar).
Broedhopen waar kinderen op spelen worden regelmatig gecontroleerd op hun veiligheid. Wanneer de stammen te ver verteerd zijn, wordt de broedhoop ontoegankelijk gemaakt. Het vervangen van rotte stammen of uitgraven van de volledige broedhoop is niet mogelijk vermits hierdoor de larven van deze beschermde diersoort verstoord of gedood worden. Best wordt er dan ook een nieuwe broedhoop gebouwd.

Het gebruik van insecticiden en andere chemische stoffen in de buurt van de broedhoop is uiteraard niet gewenst. Als de broedhoop na vele jaren langzaam aan in elkaar zakt, wordt het tijd om een nieuwe aan te leggen in de onmiddellijke omgeving.

Mannetjes en vrouwtjes ontmoeten elkaar onder meer aan zieke en verwonde bomen waar sap uitloopt. Die bomen zijn dus bij voorkeur aanwezig. De kevers leven van dit sap, maar ook sap van gebarsten fruit wordt benut. Voedsel is echter niet noodzakelijk voor de volwassen Vliegende herten om tot rijping van zaad- en eicellen te komen. Bij gebrek aan sapbomen worden dan ook andere ontmoetingsplaatsen benut zoals houten verlichtingspalen.

De vrouwelijke kever graaft 30-50 cm in de grond alvorens maximaal 28 eieren af leggen tegen ondergronds dood vermolmd hout. De bodem is belangrijk als leefomgeving van de larven om te verpoppen. In zware kleibodems kunnen de vrouwtjes en larven vermoedelijk niet graven. Diepgrondige en goed gedraineerde bodems zijn nodig zodat de larve diep genoeg in de bodem kan doordringen om bij vorst bescherming te vinden.


De vermolmde bomen worden door de zon opgewarmd en zijn bij voorkeur naar het zuiden geëxposeerd. In het hout moeten de juiste schimmels aanwezig zijn, wellicht bepaalde witrotters, wat maakt dat de boom op natuurlijke wijze moet kunnen sterven. Stompen van omgezaagde bomen komen doorgaans niet in aanmerking omdat hier deze schimmels ontbreken.


Vroeger ging men er van uit dat alleen eik geschikt was, maar verschillende onderzoeken leverden een lange lijst van boom- en struiksoorten op waar de larve in gevonden werd. In regel gaat het om hardere loofhoutsoorten (in mindere mate zachte houtsoorten) zoals eik, beuk, linde, haagbeuk, tamme kastanje, fruitbomen en dergelijke. Ook oude hakhoutstoven zijn geschikt. Het is vooral belangrijk dat het hout in direct contact staat met de grond. Naast deze natuurlijke vindplaatsen zijn er ook vindplaatsen met een meer artificieel broedsubstraat. Op verschillende plaatsen werden populaties in tuinen gevonden waar niveauverschillen werden overbrugd met treinbielzen. De larven leven van het verteerde ondergrondse deel van deze balken. In Nederland en Groot Brittannië werden ook larven gevonden in verhakseld hout of zagemeel dat in een dikke laag werd gebruikt voor de aanleg van wandelpaden of speelterreinen. Kenmerkend is dat het overgrote deel van de vindplaatsen gevonden worden op zuidgerichte hellingen. De verschillende vindplaatsen geven aan dat deze soort nood heeft aan een halfopen habitat met warm microklimaat (zoals parken, holle wegen, beboste taluds, hakhout, hoogstamboomgaarden en laanbomen).


We besluiten dat het vliegend hert in eerste plaats een thermofiele soort is die nood heeft aan een halfopen habitat en warm microklimaat. De stelling dat deze soort een kensoort is van uitgestrekte boscomplexen met grote hoeveelheden aan dik dood hout is in ieder geval onvolledig.

De verzamelde gegevens laten niet toe om regionale of lokale aantalevoluties van deze soort te berekenen. Enkele getuigenissen geven aan dat de soort in de regio rond Brussel algemeen was in de jaren ’50–’60 van de vorige eeuw en dat ze vooral in de jaren ’70 en ’80 sterk achteruit is gegaan. Deze achteruitgang kan mogelijk worden verklaard door het verlies aan kleine landschapselementen en het stopzetten van het beheer hiervan.