Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Dynamische rivieren met voedselrijk slikoevers met eenjarige planten (3270)

Dit habitattype omvat slikoevers met pioniergemeenschappen van éénjarige plantensoorten op voedselrijke, vooral stikstofrijke bodems in dynamische riviersystemen. De kale slikbodems zijn binnen het riviersysteem semipermanent aanwezig op plaatsen waar langdurige winterse overstromingen of zoetwatergetijdendynamiek, in combinatie met slibafzettingen, de vestiging van meerjarige soorten onmogelijk maken. De typische pioniervegetatie van slikoevers bestaat uit open, lage begroeiingen met kensoorten als Waterereprijs en Witte waterkers. Na enkele weken tot maanden ontwikkelt zich een hogere kruidlaag met diverse Ganzenvoet- en Tandzaadsoorten.

Zoetwaterhabitats
3270
Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodion rubri p.p. en Bidention p.p.
Dynamische rivieren met voedselrijk slikoevers met eenjarige planten

Dit habitattype omvat slikoevers met pioniergemeenschappen van éénjarige plantensoorten op voedselrijke, vooral stikstofrijke bodems in dynamische riviersystemen. De kale slikbodems zijn binnen het riviersysteem semipermanent aanwezig op plaatsen waar langdurige winterse overstromingen of zoetwatergetijdendynamiek, in combinatie met slibafzettingen, de vestiging van meerjarige soorten onmogelijk maken. Het habitattype kan ook dispers in tijd en ruimte binnen het riviersysteem ontstaan waar kortstondige, hevige waterdynamiek andere begroeiingen wegspoelt of langdurige overstromingen de bestaande vegetatie doet afsterven. Door natuurlijke successie kunnen de pioniervegetaties hier nadien terug verdwijnen en evolueren naar voedselrijke ruigten (habitattype 6430), wilgenstruwelen (pioniertoestand habitattype 91E0) of riet- en lisdoddevegetaties en eventueel ook grote zeggenvegetaties. Het habitattype kan zo op de ene plaats verdwijnen, terwijl het op andere plekken in het riviersysteem ontstaat op nieuw gevormde, kale slikoevers. De typische pioniervegetatie van slikoevers bestaat uit open, lage begroeiingen met kensoorten als Waterereprijs en Witte waterkers. Na enkele weken tot maanden ontwikkelt zich een hogere kruidlaag met diverse Ganzenvoet- en Tandzaadsoorten. De vegetatie is pas op het einde van de zomer of het begin van de herfst maximaal ontwikkeld. Naarmate de begroeiing in de loop van het seizoen toeneemt, neemt het aandeel open, kale bodem af. Een typische eigenschap van de kenmerkende plantensoorten is dat ze zeer snel groeien, veel zaden produceren en gemakkelijk kiemen. De zaden worden gemakkelijk via het water verspreid. Aan de Grensmaas ontwikkelt dit habitattype zich op slib- rijke, nitrofiele oeversedimenten in het rivierbed of langs plassen in het winterbed op zware klei of leem. De jongste pionierstadia (eerste weken na het droogvallen) worden gekenmerkt door vegetaties met als kenmerkende soorten Bruin cypergras, Naaldwaterbies, Slijkgroen, Watertorkruid, Waterereprijs en Greppelrus. In een latere fase kunnen zich tijdelijk weelderige vegetaties ontwikkelen met kenmerkende soorten als Veerdelig tandzaad, Knikkend tandzaad, Zwart tandzaad, Smal tandzaad, Korrelganzenvoet, Rode ganzenvoet, Zeegroene ganzenvoet, Stippelganzevoet, Goudzuring, Vlooienkruid, Akkerkers, Moeraskers, Getande weegbree, Blaartrekkende boterbloem, Uitstaande melde en Kleine leeuwenbek. Daarnaast komen er verschillende adventieven voor zoals Tomaat, Lampionplant en Grote stekelnoot. Hoger gelegen slibafzettingen kunnen snel door wilgen gekoloniseerd worden en tot wilgenstruwelen ontwikkelen. Langs de Zeeschelde ontwikkelen deze pioniervegetaties zich op hoger gelegen slikken op relatief beschutte plaatsen in het zoetwatergetijdengebied. De gemeenschappen hebben een lijn- tot vlakvormig karakter en komen bijvoorbeeld voor langs geulen in het schor, die in de zomer niet altijd bij hoog water overstromen. De jonge pionierstadia bestaan uit slikken begroeid met nopjeswieren (Vaucheria) en Sterrenkroos. Daarna ontwikkelt de kruidlaag zich verder met Waterpeper, Blauwe waterereprijs, Grote kattenstaart, Knikkend en Zwart tandzaad, Ridderzuring, Grote waterweegbree en Blaartrekkende boterbloem als kenmerkende soorten. Tengevolge van graafwerken aan rivieroevers of bij de aanleg van gecontroleerde overstromingsgebieden kunnen tijdelijk gunstige condities ontstaan voor de ontwikkeling van het vegetatietype. Wanneer deze vegetaties binnen het riviersysteem niet duurzaam aanwezig blijven tengevolge van natuurlijke rivierdynamiek, worden deze niet tot het habitattype gerekend. Tijdelijke ontwikkeling van het vegetatietype in pioniersituaties van niet riviergebonden moeras- en watersystemen worden evenmin tot het habitattype gerekend. De typische fauna van dit zeer dynamische habitattype omvat in hoofdzaak gespecialiseerde, bodemactieve ongewervelde diersoorten die aangepast zijn aan langdurige winterse overstromingen of een goed koloniseringsvermogen hebben. Voorbeelden zijn diverse soorten loopkevers (o.a. Dyschirius, Elaphrus, Bembidion), kortschildkevers (o.a. Stenus), sprinkhanen (Zeggedoorntje en Zanddoorntje), oeverwantsen (Salda, Saldula) en diverse vliegensoorten met aquatische of semi-aquatische larven (o.a. uit de Slankpootvliegen- en Zweefvliegenfamilie). Ook amfibische slakkensoorten (bv. Leverbotslak, Ovale poelslak en diverse soorten Barnsteenslakken) worden in dit milieutype aangetroffen. De rijke ongewervelde fauna vormt een voedselbron voor broedende steltlopers en insectenetende moerasvogels.

In Vlaanderen komt dit habitattype voor langs grote rivieren met een hoge dynamiek. Het winterbed van de Grensmaas vormt het belangrijkste kerngebied voor dit habitattype. Daarnaast komt het type ook voor in het zoetwatergetijdengebied van het Schelde-estuarium. In andere riviersystemen in Vlaanderen zijn de natuurlijke condities niet (meer) of onvoldoende voorhanden om dit habitattype duurzame kansen te geven.

De belangrijkste beheermaatregel bestaat uit het bieden van de nodige ruimte voor en het behoud van de natuurlijke rivierdynamiek, waardoor er voldoende erosie- en sedimentatieprocessen optreden.

- Veranderingen in de natuurlijke waterpeildynamiek vormen één van de belangrijkste bedreigingen. In de Zeeschelde neemt de getijamplitude en stroomsnelheid toe door verhoging van het gemiddeld hoogwaterpeil (tengevolge van zeespiegelrijzing en verdiepingswerken). Dit leidt tot een steilere overgangszone tussen riviergeul en dijk met hogere schorkliffen tot gevolg, waarbij vooral de pionierzone van het hoge slik en lage schor bedreigd wordt. - Anderzijds leiden steenbestortingen aan geul- en schorranden tot een verminderde dynamiek van de slikoevers, waardoor het habitattype op termijn door kolonisatie van o.a. Riet en wilgen eveneens verdwijnt. - Wegbaggeren van slikwadden en een slechte waterkwaliteit in het Schelde-estuarium. - Grindontginningen in de Grensmaas. - Een algemene bedreiging van het habitattype vormt de vermindering van het areaal overstromingsgebied langs waterlopen door ophogingen of indijkingen (momenteel niet van toepassing langs Zeeschelde en Grensmaas).

Langs de Grensmaas streeft men naar een verhoging van de waterberging door herstel van de natuurlijke overstromingsdynamiek in het winterbed. Hierbij herstelt men op veel plaatsen natuurlijke oeverzones met geleidelijke overgangen. In het Schelde-estuarium is een verdere verbetering van de waterkwaliteit gewenst, naast het streven naar een hogere natuurlijkheid van de dynamische oeverprocessen en het (lokaal) toelaten van de afzetting van nieuwe slibbanken in de rivier. Mogelijk zijn ook nog langs andere grote rivieren in Vlaanderen kansen aanwezig voor herstel of ontwikkeling van het habitattype door verwijdering van kunstmatige oeververdediging en herstel van natuurlijke overstromingsgebieden, waarbij grootschalige erosie- en sedimentatieprocessen worden toegelaten.

Het habitattype komt voor op tijdelijk droogvallende slibafzettingen in en langs dynamische waterlopen. Het betreft natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke standplaatsen. Door de snelle afbraak van het organisch materiaal zijn dit anaërobe, nitrofiele standplaatsen. Wanneer het grondwaterpeil in de zomer te ver onder het oppervlak zakt, sterft de pioniervegetatie af, maar tegen dan zijn vaak al zaden geproduceerd. Ondiepe zomeroverstromingen worden goed verdragen.

**Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**