Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Goudplevier

Pluvialis apricaria
Fauna
Vogels

=

Behoud van het huidige areaal

+

Uitbreiding van de huidige, overwinterende populatie tot gemiddeld 5.000 exemplaren

+

Oplossen van verstoring van de waterhuishouding, niet afgestemd menselijk gebruik, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

De Goudplevier dankt zijn Nederlandse naam aan de geelbruine bovendelen (inclusief stuit en staart) in alle kleden. In zomerkleed heeft de soort een opvallend zwart gezicht, voorhals en buik, mooi afgezoomd door een witte band die van boven het oog langs de zijhals en over de flanken loopt. Bij juveniele vogels en vogels in winterkleed zijn het gezicht, borst en flanken geelbruin en is de buik wit. In de vlucht toont de bovenvleugel een witte vleugelstreep en zijn de ondervleugel en okselveren wit. Trekgroepen zijn compact met een zeer snelle vlucht.

Het broedareaal strekt zich uit van IJsland, Ierland, Schotland, Noord-Engeland, Scandinavië en verder oostelijk doorheen Rusland. De overwinteringsgebieden zijn gelegen in West- en Zuid-Europa. De soort broedde tot 1910 nog in België maar verdween dan, waarschijnlijk door verlies van geschikt habitat. In 1980 en 1981 werd wel nog telkens één broedgeval genoteerd in Noord-Limburg. Op trek en als overwinteraar komt de Goudplevier in Vlaanderen in vrij groot aantal voor, tot zo'n 10.000 exemplaren in totaal, vooral in de kustpolders en de polders in het noorden van Oost-Vlaanderen. De voorbije decennia is het aantal pleisteraars wellicht aanzienlijk in aantal afgenomen maar goede trendgegevens ontbreken.

Het verdwijnen van vochtige heidegebieden en verstoring zijn de voornaamste bedreigingen voor de soort.

Gunstige beheermaatregelen voor de soort zijn het behoud en herstel van vochtige heidegebieden als broedbiotoop en open, weinig verstoorde weilandcomplexen in de overwinteringsgebieden.

De Goudplevier broedt vooral in de toendra, maar hier en daar ook wel in heide, hoogvenen en bergweiden boven de boomgrens. Het nest is een kuiltje in heide of gras. Hij verkiest droge grond en is zelden wadend te zien in ondiep water. Op doortrek en in de winter komen Goudplevieren vooral voor op kort grasland, stoppelvelden en kale akkers in laagland, al of niet met plassen. Ook slikken en schorren in estuaria herbergen soms grote groepen.

Doortrekker/overwinteraar in internationaal belangrijke aantallen (occasioneel >1% van de biogeografische populatie in 1 of meerdere gebieden)