Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Stroomdalgraslanden langs de Maas (6120)

Stroomdalgraslanden vind je op droge niet zure zandgronden langs grote rivieren. In Vlaanderen vind je dit enkel langs de Grensmaas. Dicht bij de rivier vind je pioniervegetaties met soorten als Muurpeper en Wit vetkuid. Op plekken die minder vaak overstromen zal deze pioniersvegetatie evolueren naar een open grasland. Indicatieve soorten voor dit open stroomdalgrasland zijn Sikkelklaver, Veldsalie en Wondklaver.

Graslanden
6120
Kalkminnend grasland op dorre zandbodem
Stroomdalgraslanden langs de Maas

Dit habitattype omvat stroomdalgraslanden en pioniervegetaties die voorkomen op hoger gelegen, droge grindbanken en zandruggen in het winterbed van grote rivieren, die slechts af en toe (circa eens in de tien jaar) overstromen. In Vlaanderen komt hiervoor enkel de Grensmaas in aanmerking. Afhankelijk van de plaats in het riviersysteem zal een min of meer kalkrijke en grindrijke zandbodem aanwezig zijn. Plaatsen die verder van de rivier liggen en minder frequent overstromen zijn sterk onderhevig aan uitloging, in tegenstelling tot de goed gebufferde kalkbodems dicht bij de rivier. Een groot aantal plantensoorten zijn warmteminnend. De rivier zorgt voor zaadaanvoer uit stroomopwaarts gelegen gebieden. Binnen dit habitattype onderscheidt men open pioniervegetaties en meer gestabiliseerde, open kruidenrijke stroomdalgraslanden. De verschillende vormen van dit habitattype worden besproken in functie van hun ontwikkeling en ligging in het rivierbed. In een eerste fase ontstaan lage pioniervegetaties met een hoog aandeel open zand- of grindplekken. Deze pionierfasen kunnen afhankelijk van de voedselrijkdom van de grind- of zandafzetting één tot twintig jaar aanwezig blijven: Minder voedselrijke afzettingen dicht bij de rivier bevatten een vegetatie behorend tot het verbond van Wit vetkruid (Alysso-Sedion). Kensoorten zijn Wit vetkruid, Muurpeper, Tripmadam, Ronde ooievaarsbek, Steenhoornbloem, Eironde leeuwenbek en Kandelaartje. Meer zandige afzettingen tonen eerder de associatie van Vetkruid en Tijm (Sedo-Thymetum pulegioides). Kenmerkende soorten zijn Zacht vetkruid, Eekhoorngras, Knolbeemdgras, Kandelaartje, Kaal breukkruid, Fijne ooievaarsbek, Rozetkruidkers, Plat beemdgras, Sikkelklaver, Gestreepte klaver, Wondklaver, Veldsalie, Harige ratelaar en Kattendoorn. Verder van de rivier liggen wat schralere, zuurdere afzettingen, die minder frequent overstromen. Hier groeien pioniergemeenschappen van het Dwerghaververbond (Thero-Airion) (habitattype 2330) met Smalle raai, Tripmadam, Viltganzerik, Kleine leeuwenklauw, Klein vogelpootje, Veldereprijs, Bitter barbarakruid, Ruw vergeet-mij-nietje, Vroegeling en Akkerviltkruid. Na de pionierfase komt het open stroomdalgrasland tot ontwikkeling waarin de meeste van deze pioniersoorten nog kunnen aanwezig blijven. Het betreft soortenrijke vegetaties met een zeer gevarieerde structuur. Ook binnen deze meer stabiele graslanden is er een duidelijk onderscheid tussen de kalkrijkere varianten dicht bij de rivier en de schralere varianten op meer uitgeloogde rivierafzettingen: De associatie van Sikkelklaver en Zachte haver (Medicagini-Avenetum pubescentis) is de meest kenmerkende vegetatie voor het open stroomdalgrasland, die voorkomt op kalkrijke afzettingen dichter bij de rivier. De typische kensoorten zijn Sikkelklaver, Zachte haver, Gestreepte klaver, Ruwe klaver, Voorjaarsganzerik en Viltganzerik. Daarnaast komen ook veel soorten voor van meer stabiele kalkhoudende Glanshaverhooilanden (habitattype 6510) zoals Veldsalie, Kruisdistel, Muskuskaasjeskruid, Kleine pimpernel, Kleine ratelaar, Kattendoorn en Voorjaarszegge, en soorten van kalkrijke Kamgraslanden (Galio-Trifolietum, ook habitattype 6510) zoals Ruige weegbree, Kleine bevernel, Gulden sleutelbloem, Geel walstro, Knolboterbloem, Ruige leeuwentand, Klein streepzaad en begeleidende soorten als Knolsteenbreek, Gewoon reukgras en Rood zwenkgras. Op kalkarme of uitgeloogde zandgronden liggen schralere Struisgraslanden (habitattype 6230) met als kensoorten Gewone veldbies, Muizenoor, Voorjaarsganzerik en Gewoon struisgras. Deze vegetaties kunnen zich ontwikkelen op de rand van het rivierengebied of langs dijken en zandruggen op grotere afstand van de rivier. Hier zijn de begeleidende soorten Gewone veldsla, Grasklokje, Schapenzuring, Gewoon biggenkruid en Sint-Janskruid. De meest schrale gemeenschappen worden gekenmerkt door soorten als Hazenpootje, Muizenoor en Schapenzuring, naast de hoger vermelde soorten van kalkrijke Kamgraslanden (Galio- Trifolietum). Stroomdalgraslanden zijn door de dynamiek van de rivier onderhevig aan cyclische successieprocessen. Door het ontstaan van nieuwe riviergeulen worden lokaal zand- en grindpakketten weggeslagen, terwijl op andere plaatsen nieuwe worden afgezet. Bij langdurige winterse overstromingen sterft de vegetatie grotendeels af. Op die manier ontstaan, gespreid in ruimte en tijd, in het rivierbed opnieuw kansen voor pioniervegetaties. Bij afname van de rivierdynamiek door natuurlijke sedimentatieprocessen (hoogst gelegen delen van het winterbed) of door indijking en bij langdurig toepassen van maai- of begrazingsbeheer evolueren deze open graslanden naar gesloten graslanden van het Glanshaververbond of kalkrijke Kamgraslanden (beide behorend tot habitattype 6510). Bij een nietsdoen-beheer treedt hier successie op naar soortenrijke struwelen. De ongewervelde fauna van het habitattype vertoont omwille van de klimatologische omstandigheden gelijkenissen met die van de droge landduinen (habitattype 2330) en droge Struisgraslanden (habitattype 6230), maar de soortensamenstelling wordt sterk beïnvloed door de impact van sporadische, winterse overstromingen. In de pionierfase komen vooral soorten voor met een goede dispersiecapaciteit, zoals de Blauwvleugelsprinkhaan en het Kalkdoorntje. Daarnaast komen talrijke, typische loopkeversoorten voor, zoals de Bastaardzandloopkever, en warmteminnende graafbijen en -wespen. In de open en laagproductieve stroomdalgraslanden die minder frequent of zelden overstromen, houden ook soorten met een geringere pioniercapaciteit stand. De Veldkrekel is een sprinkhaansoort die hier van nature thuishoort. In wat ruigere zones kan ook de Gouden sprinkhaan en Greppelsprinkhaan voorkomen. Het Bruin blauwtje is een typische dagvlinder, waarvan de rupsen op lage ooievaarsbek- en reigersbeksoorten leven. Andere warmteminnende dagvlinders zijn Koninginnepage en Gele en Oranje luzernevlinder, waarvan de rupsen te vinden zijn op respectievelijk Peen en diverse klaversoorten. In goed ontwikkelde graslanden hoort ook nog de Veldparelmoervlinder thuis, die in Vlaanderen met uitsterven wordt bedreigd. Wanneer in de omgeving verspreide struwelen (bramen, meidoorn e.a.) en ruigtes aanwezig zijn, kunnen broedvogels voorkomen als Grauwe gors, Geelgors, Roodborsttapuit en Grauwe klauwier.

Dit habitattype komt alleen voor langs de Grensmaas in Limburg. In de huidige situatie komt het habitat slechts plaatselijk voor op rivieroevers en in enkele natuurontwikkelingsgebieden.

Het behoud en herstel van de natuurlijke rivierdynamiek met ruimte voor spontane erosie- en sedimentatieprocessen is essentieel voor dit habitattype. Overstromingen mogen niet te frequent optreden maar moeten af en toe uitzonderlijk sterk zijn om nieuwe grind- en zandbanken te laten ontstaan in het winterbed. In de verdere ontwikkeling zijn de kalkrijkdom en voedselbeschikbaarheid determinerend voor de ontwikkeling van de verschillende specifieke gemeenschappen. Ook hierin speelt de overstromingsduur en de afstand tot de rivier en overstromingsfrequentie een determinerende rol. Een extensief maai- of begrazingsbeheer is vereist om de natuurlijke successie naar struwelen tegen te gaan.

Het areaal van stroomdalgraslanden binnen het winterbed van de Grensmaas is grotendeels verdwenen. De aanleg van een aaneengesloten hoge zomerdijk, vlak naast de rivier halverwege de 19e eeuw, legde de natuurlijke erosie- en sedimentatieprocessen binnen het winterbed stil. Hierdoor kon geheel het winterbed in landbouwgebruik genomen worden en bleven er slechts relictvegetaties langs de dijken over. Bijkomende oorzaken van het areaalverlies zijn grindontginning, dijkwerken en intensivering van de landbouw binnen de uiterwaarden.

Binnen de Grensmaas streeft men naar meer ruimte voor de rivier en herstel van de natuurlijke rivierdynamiek, waarbij geleidelijke overgangen van de waterloop naar zandafzettingen en grindbanken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen zich opnieuw geschikte standplaatsen ontwikkelen voor dit habitattype.

Kalkminnende graslanden op dorre zandbodem”zijn van nature een vegetatietype dat thuishoort in een geomorfologisch intact functionerend rivierecosysteem gekenmerkt door hoge overstromings- en sedimentatiedynamieken en een daarmee samengaande sterke temporele en ruimtelijk variatie in abiotiek. Deze habitat ontwikkelt zich op voedselarme grindbanken of zandruggen in het overstromingsgebied van rivieren met een hoge overstromingsdynamiek waar zand- en grindafzettingen optreden bij piekdebieten met een frequentie van ongeveer eens in de 10 jaar. De standplaatsen zijn gedurende het groeiseizoen meestal droog tot zeer droog en het microklimaat is warm. Sporadisch zijn overstromingen noodzakelijk voor de aanvoer van kalk en de afzetting van onbegroeid substraat. Afhankelijk van de ligging in het rivierbed treden er belangrijke verschillen op in kalkrijkdom en overstromingsfrequentie. - Luchtkwaliteit: N-depositie < 18 N/ha/jaar

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**