Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Slikken met Zeekraal (1310)

Deze soortenarme pioniervegetaties met Zeekraalsoorten en vaak ook Klein schorrenkruid komen van nature voor op beschutte slikken die dagelijks overstromen met zout of sterk brak water. Hier kan Zeekraal massaal ontkiemen zonder te worden weggespoeld. Vaak komt dit habitattype voor in combinatie met de habitattypen 1320 en 1330. Zeekraalvegetaties in het Schelde- en IJzer-estuarium overlappen met het habitattype 1130 (estuaria). Binnendijks vindt men deze vegetaties terug in zilte kreken in de polders, in uitgeveende of uitgebrikte poldergraslanden die in contact staan met zilt grondwater en in laag gelegen weiden onder invloed van zilte kwel vanuit zoute of sterk brakke waterlopen. Hier blijven deze begroeiingen meestal beperkt tot vlekken of smalle linten in contact met andere zilte vegetaties. Zeekraal vindt hier geschikte groeiplaatsen in trapgaten van het vee en op drooggevallen slikoevers.

Slikken, schorren en kusthabitats
1310
Eénjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia subsp. en andere zoutminnende soorten
Slikken met Zeekraal

Deze soortenarme pioniervegetaties met Zeekraalsoorten en vaak ook Klein schorrenkruid komen van nature voor op beschutte slikken die dagelijks overstromen met zout of sterk brak water. Hier kan Zeekraal massaal ontkiemen zonder te worden weggespoeld. Vaak komt dit habitattype voor in combinatie met de habitattypen 1320 en 1330. Zeekraalvegetaties in het Schelde- en IJzer-estuarium overlappen met het habitattype 1130 (estuaria). Binnendijks vindt men deze vegetaties terug in zilte kreken in de polders, in uitgeveende of uitgebrikte poldergraslanden die in contact staan met zilt grondwater en in laag gelegen weiden onder invloed van zilte kwel vanuit zoute of sterk brakke waterlopen. Hier blijven deze begroeiingen meestal beperkt tot vlekken of smalle linten in contact met andere zilte vegetaties. Zeekraal vindt hier geschikte groeiplaatsen in trapgaten van het vee en op drooggevallen slikoevers. De bedekking van de vegetatie varieert van amper 10 % tot gesloten vegetaties, die meestal niet hoger worden dan enkele tientallen centimeters. Begroeiingen met Kortarige zeekraal kleuren op het einde van het vegetatieseizoen dieprood tot paars, terwijl deze met Langarige zeekraal goudgeel tot bruin verkleuren. Zeekraal- en Schorrenkruidvegetaties vormen het beginstadium in de successie van slik naar schor. In deze soortenarme pioniervegetaties kunnen soms nog andere soorten voorkomen zoals Zilte en Gerande schijnspurrie. De brakwatervegetaties die voorkomen langs de Schelde worden gekenmerkt door het vaak dominante groenwier Vaucheria, naast Zeekraal, Zilte schijnspurrie en Klein schorrenkruid. Door sedimentatie evolueert dit habitattype naar schorren met Lamsoor en begroeiingen met Gewoon kweldergras, Gewone zoutmelde, Zulte, Melkkruid en andere meerjarige soorten (habitattype 1330), waarmee het vaak in mozaïek voorkomt. Het kan ook in mozaïek voorkomen met slijkgrasvegetaties (habitattype 1320). De typische ongewervelde fauna van Zeekraalvegetaties omvat zowel aquatische als terrestrische soorten, aangepast aan de extreme omstandigheden van eb en vloed. Naast Borstel- en Draadwormen en vlokreeftjes zijn vaak de grote aantallen amfibische slakjes opvallend, zoals Schorreslak, Wadslakje en Muizenoortje. Bij eb zoeken diverse halofiele loopkevers (o.a. Pogonus littoralis, Bembidion pallidipenne, Bembidion maritimum, Bembidion ephippium, Bembidion normannum), kortschildkevers (o.a. Bledius) en spinnen (o.a. de Schorrewolfspin en het Slikkenspinnetje) naar voedsel. Op zijn beurt vormt de vaak abundante ongewervelde fauna een belangrijke voedselbron voor steltlopers zoals plevieren en strandlopers. Tot habitattype 1310 worden ook de pioniergemeenschappen van het Zeevetmuurverbond (Saginion maritimae) gerekend. Dit subtype komt voor op de smalle grens van schorre en duinen of dijken, al dan niet in mozaïek met vloedmerkvegetaties, die tot de schorren (habitattype 1330) gerekend worden. De meest algemene soort van deze pioniergemeenschap is Hertshoornweegbree. Meer typische soorten zijn Zeevetmuur, Dunstaart, Laksteeltje, Deens lepelblad, Strandduizendguldenkruid en Sierlijke vetmuur.

Zeekraal- en Schorrenkruidvegetaties zijn “uiterst zeldzaam” in Vlaanderen. Belangrijke gebieden zijn de IJzermonding, het Zwin, de Baai van Heist en het zoute en sterk brakke deel van het Schelde-estuarium (waar het overlapt met type 1130). De zilte graslanden langs het Boudewijnkanaal in de achterhaven van Zeebrugge vormen een belangrijk vlakdekkend, binnendijks gebied. Binnendijks komt dit habitattype verder verspreid in de Kust- en Scheldepolders ook als punt- of lijnvormig element voor in de (randen van) zilte sloten en kreken. Het Zeevetmuurverbond is van nature nog zeldzamer en beperkt tot de contactzone tussen hoger vernoemde buitendijkse schorrengebieden en aangrenzende duinen of dijken, o.a. in het Zwin.

In getijdengebieden met voldoende erosie- en sedimentatiedynamiek zijn pioniersituaties steeds aanwezig en bestaat het meest aangewezen beheer uit nietsdoen. Voor de instandhouding van binnendijkse slikgebieden is betreding door grazers, in combinatie met een hoog grondwaterpeil, die rond het maaiveld schommelt, doorgaans cruciaal om een voldoende oppervlakte pioniermilieus te verzekeren. In de schorre-duinovergang is een combinatie van begrazing met nulbemesting de aangewezen beheervorm.

- Havenuitbreiding en baggerwerken leiden tot ecotoopverlies. - Door spontane successie verdwijnen slikken en breiden schorrenvegetaties uit. Dit proces gaat gepaard met of kan versneld worden door toenemende sedimentatie en verminderde overstromingsdynamiek. - Verminderde dynamiek ter hoogte van de schorre-duinovergang leidt tot verruiging met o.a. Strandkweek. - Zilte poldergraslanden worden vooral bedreigd door verdroging, vermesting en verminderde dynamiek (betreding door vee, overstroming).

In de gepaste milieus kunnen deze pioniervegetaties zich ontwikkelen door het instellen van de noodzakelijke waterdynamiek, door ontpoldering of na afgraven of afplaggen. Voor binnendijkse gebieden is de aanwezigheid van een zaadvoorraad in de bodem belangrijk. Pioniergemeenschappen met Zeekraal zijn eenvoudiger te ontwikkelen dan het Zeevetmuurverbond dat van nature beperkt is tot de smalle contactzone tussen schor en duin.

Zeekraal- en Schorrenkruidvegetaties komen voor op beschutte slikken en zandvlakten binnen de invloed van de getijdenwerking, op oevers van zoute en sterk brakke wateren, binnendijks ook langs zilte poldersloten en kreken en in zilte graslanden. Buitendijks vormt de getijdenwerking de dominante dynamische factor. Binnendijks is voor de instandhouding enige dynamiek noodzakelijk van vertrappeling van de graszode door vee of van plaggen en afgravingen of van periodieke langdurige overstroming met zout of sterk brak water. Dit habitattype kan zich ook ontwikkelen in kunstmatige pioniersituaties (bv. opspuitingen). De bodem wordt slechts oppervlakkig doorlucht en is vanaf circa 1 cm diepte zwart gekleurd door ophoping van sulfiden. Het Zeevetmuurverbond is beperkt tot de overgang van schorre naar hoger gelegen zandgronden (vaak duinen), meestal nog net binnen het bereik van springvloed. Door zandverstuiving of intensieve begrazing blijft het pioniermilieu behouden.

** Voor advisering in het kader van de passende beoordeling wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de referentiewaarden die in de praktische wegwijzers zijn opgenomen.**