Zwartkopmeeuw

Larus melanocephalus
Fauna
Vogels

=

Behoud van het huidige areaal van 450 km²

=(-)

Behoud van een gemiddelde populatie van 1.100 broedparen. Een tijdelijke, zelfs forse afname als gevolg van verplaatsingen binnen de Nederlands-Belgische metapopulatie is aanvaardbaar.

+

Oplossen van tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Geen extra oppervlakte leefgebied nodig naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

De Zwartkopmeeuw, die sterk lijkt op de iets kleinere Kokmeeuw, is een kleine, bijna volledig witte meeuw met een grote, zwarte kopkap en witte oogring. De snavel en poten zijn bloedrood. Jonge vogels hebben een zwarte tekening op vleugels en staart, zwarte poten en snavel. Pas na drie jaar hebben zij het volledig volwassen kleed. ’s Winters hebben zowel jonge als adulte vogels een zwarte veeg door het oog, het zogenaamde ‘boevenmasker’. De roep is een kenmerkend, nasaal ‘jiauw’.

De Zwartkopmeeuw is oorspronkelijk een broedvogel van de landen rond de Zwarte en Middellandse Zee die zich de laatste decennia verspreid in West-Europa gevestigd heeft. Hij trekt in het najaar in klein aantal door van eind juni tot midden oktober, zowel aan de kust als in het binnenland en overwintert vooral langs de Atlantische kusten van Zuidwest-Europa vanaf Noord-Frankrijk, Marokko en de Middellandse Zee. Het eerste broedgeval in Vlaanderen dateert van 1964. Vanaf 1985 werd de soort een regelmatige broedvogel. Vanaf eind februari worden de broedplaatsen bezet, steeds temidden of nabij Kokmeeuwenkolonies. Het aantal broedparen loopt soms op tot enkele honderden (zelfs tot 1.200 in 2002), verspreid over alle Kokmeeuwenkolonies. Dit aantal neemt nog steeds toe van jaar tot jaar en hangt onlosmakelijk vast met de toename van de jaarlijkse populatie in het Nederlandse Deltagebied. Aan de Oostkust en in het Antwerpse zijn jaarlijks de grootste kolonies te zien. Ook overzomerende, subadulte vogels worden waargenomen. Enkelingen overwinteren in Vlaanderen.

Zeer nadelig voor de soort zijn het verlies van broedplaatsen door natuurlijke vegetatiesuccessie of door havenuitbreiding, verstoring of vernietiging van de nestplaats, verstoring op slaap- of hoogwatervluchtplaatsen, te hoge waterschommelingen en predatie.

Behoud van geschikte broedlocaties en terugdringen van vergevorderde vegetatiesuccessie in potentiële broedgebieden zijn, naast voldoende rust, de belangrijkste maatregelen.

Zwartkopmeeuwen komen zowel in het binnenland op vennen, vijvers, opspuitterreinen als aan de kust op eilanden en in havengebieden voor. Ze zoeken voedsel zoals Kok- en Stormmeeuw dat doen, door te vissen, aas te zoeken of achter beerkarren regenwormen en insecten te zoeken in niet al te bemeste weiden. ’s Winters lijkt de Zwartkopmeeuw iets meer kustgebonden te zijn.

Jaarlijkse broedvogel