Kwartelkoning

Crex crex
Fauna
Vogels

+

Uitbreiding van het huidige areaal tot 2.000 km²

+

Uitbreiding van de huidige populatie tot minimaal 100 broedparen verspreid over 4 kernpopulaties

+

Oplossen van niet afgestemd menselijk gebruik, tekort aan kwaliteit van het leefgebied. Uitbreiding van het huidige leefgebied met 1.240 - 2.450 ha van vooral bloemrijke hooi- en graslanden, naast de vooropgestelde extra oppervlaktes Europees te beschermen habitats en leefgebied van andere Europees te beschermen soorten en de algemene kwaliteitsverbetering ten gevolge van het huidige milieubeleid.

In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden is de Kwartelkoning geen hoenderachtige maar een ral verwant aan de Waterral, de Meerkoet en het Waterhoen. Deze ranke vogel is overwegend grijsachtig geelbruin gekleurd met donker gevlekte bovendelen en egaal roestbruine vleugels. De kop en onderdelen zijn grijsachtig, de snavel en de poten roze. De soort blijft nog meer dan andere rallen in de vegetatie zodat lokalisatie bijna enkel door de zang mogelijk is: een luid raspend, ver dragend ‘crex crex’ dat doet denken aan het geluid van een duim die over een kam strijkt. Deze baltsroep is vooral te horen van zonsonder- tot zonsopgang en wordt vaak urenlang achtereen herhaald. Soms wordt ook overdag geroepen. Bij verstoring vliegt de soort maar zelden op; gewoonlijk sluipt hij heel onopvallend door de vegetatie weg. De vlucht is fladderend met uitstekende, bij landen afhangende poten.

Kwartelkoningen komen alleen in de zomer (april-september) in Europa voor. Het broedgebied strekt zich uit van Ierland over West-Europa tot in West-Siberië, met het zwaartepunt in Oost-Europa en Rusland. De soort overwintert in tropisch Oost-Afrika. In de eerste helft van de vorige eeuw was de Kwartelkoning een algemene broedvogel in de meeste Vlaamse rivierdalen. Na 1960 was hij echter al snel in grote delen van Vlaanderen uitgestorven. Momenteel broeden in Vlaanderen nog maar enkele koppeltjes en dat niet eens jaarlijks in de valleigebieden van de IJzer, de Maas en de Schelde.

Habitatverlies, verdroging, verstoring van de nestplaats, de teloorgang van typische teelten van klaver en luzerne en vergiftiging zijn de voornaamste bedreigingen voor de soort. Door de uiterst verborgen levenswijze in hooilanden is de soort uiterst kwetsbaar bij een onaangepast maaibeheer. Het steeds vroeger maaien, soms in de hand gewerkt door drainage en bemesting, laat weinig kansen aan de laat broedende Kwartelkoning. Zelfs volwassen vogels overleven vaak de maaiactiviteiten niet.

Het instandhouden en herstel van grootschalige, onbemeste hooilandcomplexen in riviervalleien is belangrijk voor deze soort. Hoge waterstanden in de winter kunnen voor de nodige dynamiek zorgen die de vegetatiesuccessie vertraagt en meer structuurvariatie aanbrengt. Ook zou er niet of weinig bemest moeten worden (max. 30-60kg N/ha/jaar). Het ter beschikking stellen van hoge, soortenrijke vegetaties (20-60cm) vanaf half april. Verder is het cruciaal dat de eerste maaibeurt uitgesteld wordt tot na 1 augustus. Zo krijgen de kuikens de kans om op te groeien.

Kwartelkoningen zijn minder afhankelijk van natte terreinen dan andere rallen. Toch prefereren ze bij ons vaak vochtige gebieden waar relatief laat gemaaid wordt, zoals natuurlijke, extensief beheerde hooilanden in de grote rivierdalen, met een regelmatig overstromingsregime in de winter en het voorjaar. Er wordt ook gebroed in grazige akkergewassen als klaver en luzerne. Tijdens het broedseizoen bestaat het voedsel uit insecten, wormen en slakken. Buiten het broedseizoen staan vooral allerlei zaden op het menu.

Onregelmatige broedvogel