Waarschuwingsbericht

The subscription service is currently unavailable. Please try again later.

Tweekleurige vleermuis

Vespertilio murinus
Fauna
Zoogdieren

De Tweekleurige vleermuis is een middelgrote vleermuis met relatief smalle vleugels en een vleugelspanwijdte van 27 tot 33 cm. Het gaat om een typische rotsbewoner en kliffen van beboste berggebieden verkiest. Door hun voorkeur voor rotsachtige gebieden heeft deze soort zich gemakkelijk aangepast aan een stedelijke omgeving waar ze zich verschuilen in hoge gebouwen.

De Tweekleurige vleermuis komt vooral voor in Centraal en Oost-Europa. België ligt aan de uiterste westrand van het verspreidingsgebied. De soort werd pas in 1989 voor het eerst in Vlaanderen aangetroffen en sindsdien zijn er sporadische waarnemingen, hoofdzakelijk in de kuststreek. In 1999 waren er sterke aanwijzingen voor een kraamkolonie in een flatgebouw te Knokke. Er is slechts één winterwaarneming bekend (Oostende, 2004). Mogelijk hebben (een deel van) de waarnemingen in Vlaanderen betrekking op zwervende dieren. De Tweekleurige vleermuis is bekend voor de uitgesproken trekbewegingen, waarbij grote afstanden (tot ca. 1.500 km) worden afgelegd tussen de winter- en zomerverblijven.

De voornaamste bedreigingen zijn het verdwijnen en verstoren van geschikte winter- en zomerverblijfplaatsen.

Voorlichting naar eigenaars van gebouwen met kolonies en naar aannemers die renovatiewerken uitvoeren is noodzakelijk om het duurzaam behoud van geschikte verblijfplaatsen te garanderen. Aangezien het hier om een migrerende soort gaat is het belangrijk om bij de inplanting van windturbines de impact ervan op deze soort te bestuderen.

Winterverblijfplaatsen zijn nog maar zelden aangetroffen in Europa. Sporadische waarnemingen zijn beschreven in rotsspleten en nauwe ruimtes in gebouwen, grotten en kelders. De soort is opvallend kouderesistent en overwintert mogelijk ook in holle bomen.
De soort gedraagt zich bij ons als een cultuurvolger die in allerlei spleten en holten in gebouwen in de stedelijke omgeving als alternatieve verblijfplaats verkiest. Dit als alternatief voor beboste, rotsachtige gebieden waar de soort van nature preferentieel voorkomt. Opvallend is dat ze ook aangetroffen worden in nauwe ruimten in hoge flatgebouwen. Rond deze hoge gebouwen meestal ook het baltsgedrag vastgesteld, die van nature in de oorspronkelijke leefgebieden gebeurt ter hoogte van rotswanden. Ook boomholten en vleermuiskasten worden in mindere mate als zomerverblijfplaats gebruikt.
De dieren jagen meestal op grote hoogte boven waterrijke gebieden, bossen en halfopen agrarische gebieden. Net zoals bij Laatvliegers en Rosse vleermuizen worden ze in de stedelijke omgeving ook jagend rond lantaarnpalen waargenomen. Voor hun verplaatsing naar hun jachtgebieden zijn aaneengesloten, lijnvormige landschapselementen niet noodzakelijk.

Aangezien het hier om een soort gaat die slechts sporadisch aangetroffen wordt is het moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen omtrent de status. De laatste jaren zijn er steeds meer en meer vondsten en/of waarnemingen, mogelijks profiteert deze soort van de opwarming van het klimaat.