Gentiaanblauwtje

Maculinea alcon
Fauna

De bovenkant van de mannetjes is blauw; bij het vrouwtje is het blauw beperkt tot de vleugelbasis en is de rest van de bovenkant grijsbruin. Meest kenmerkende is echter de onderkant van de vleugels die licht grijsbruin zijn en twee rijen witgerande zwarte stippen heeft. Verwarring is mogelijk met drie andere blauwtjes die regelmatig op heidevelden worden gezien: het heideblauwtje en het icarusblauwtje, die beide oranje vlekken op de vleugelonderkant hebben en het boomblauwtje die echter een lichte grijsblauwe onderkant heeft.

In België komt hij enkel voor in Vlaanderen.
Op één oude, niet-gedateerde waarneming uit de Scheldevallei na, is de Vlaamse verspreiding van het Gentiaanblauwtje in de 20ste eeuw steeds beperkt geweest tot de Kempen. Vroeger (voor 1991) kwam het Gentiaanblauwtje vrij verspreid voor in de Kempen.

In de periode 1991-1998 werd het aantal regio’s waarin het Gentiaanblauwtje voorkwam gehalveerd.

De huidige verspreiding (1999-2000) is nog verder beperkt, er is spraken van een achteruitgang van 69% in vergelijking met de periode voor 1991. Alle huidige populaties van het Gentiaanblauwtje liggen in de Noordelijke en Oostelijke Kempen. Daarnaast moeten we hier ook opmerken dat door het gebruik van het ruwe inventarisatieraster (5x5km) de achteruitgang wordt onderschat en de verspreiding wordt overschat. Als we de gebieden als verspreidingselement hanteren voor de actuele verspreiding, komt het Gentiaanblauwtje momenteel in 9 gebieden voor. Vlaanderen telt 12 populaties van het Gentiaanblauwtje: 4 populaties in 4 gebieden in de provincie Antwerpen en 8 populaties in 5 gebieden in de provincies Limburg. Dit laatste komt omdat in de Vallei van de Zwarte Beek het Gentiaanblauwtje aanwezig is in vier deelgebieden die van elkaar gescheiden zijn door minstens 700 meter. Deze worden dan beschouwd als aparte populaties omdat Gentiaanblauwtjes zeer standvastig zijn.

De achteruitgang van deze soort heeft verschillende oorzaken. In de eerste plaats verslechtert de kwaliteit van het leefgebied door verdroging, verzuring en vermesting. Hierdoor groeien de open terreinen dicht en kan het zaad van de Klokjesgentiaan niet meer ontkiemen.
In de tweede plaats versnippering. Het Gentiaanblauwtje is een honkvaste vlinder die slecht in staat is nieuw gebied te koloniseren of individuen met andere populaties uit te wisselen. In de derde plaats wordten soms nadelinge natuurbeheersmaatregelen genomen zoals grootschalig plaggen of te hoge grondwaterstanden. Zo verdwijnen de mierennesten en dus de vlinder. Brede geplagde stroken zijn nog lange tijd ongeschikt omdat de gentianen en de mieren relatief veel tijd nodig hebben om zich daar te vestigen. In blauwgraslanden is de soort op een aantal plaatsen verdwenen omdat er te vroeg werd gemaaid. De graslanden waarin de soort leeft, mogen pas na half september worden gemaaid; pas dan zit de rups in het nest van de waardmier.

Geschikte beheermaatregelen zijn in natte heidevelden bijvoorbeeld kleinschalig plaggen (in combinatie met bekalking), extensieve begrazing (door runderen of gehoede schapen) en het verwijderen van opslag. Blauwgraslanden kunnen na half september worden gemaaid (waarna het maaisel moet worden afgevoerd). Nabeweiding kan in zulke graslanden gewenst zijn.
Het huidige leefgebied moet op veel plaatsen natter worden. Herstel van het oorspronkelijke grondwaterregime is vaak noodzakelijk. Maar de waterstand mag niet te snel worden verhoogd. De soort leeft vaak in de smalle zone tussen dras en nat en in verdroogde terreinen leeft de vlinder vooral nog in de laagste delen. Als de waterstand snel omhoog wordt gebracht, lopen deze delen onder, zodat de mieren zich niet naar de hogere delen kunnen verplaatsen en verdrinken. Het is dus wenselijk dat het waterpeil over een periode van jaren geleidelijk wordt verhoogd.
Aangezien versnippering een probleem is, moeten geschikte gebieden waar mogelijk met elkaar worden verbonden.

Komt enkel voor op vochtige heide, in veengebieden en op heischrale graslanden.