PAS beslissing van 30/11/2016

1 juli 2017start toepassing verfijnd significantiekader en flankerend beleid

Tijdens de uitwerking van de PAS hebben nieuwe inzichten, data en sociale overwegingen geleid tot het besef dat een bijsturing nodig was.  Daarom werd begin 2016 politiek overleg opgestart met het doel tot een evenwichtige combinatie te komen van een brongericht en generiek vergunningenbeleid en een effectief herstelbeleid. Op 30 november 2016 werd hierover een akkoord bekomen binnen de Vlaamse Regering.  De krachtlijnen van die beslissing worden hieronder weergegeven:

1. Generiek beleid: consolideren van de BAU2030 en extra reductie ammoniak vanuit de sector landbouw

Algemeen gesteld blijkt dat de vermestende depositie voor twee derde bestaat uit ammoniak (NH3) en  voor één derde uit stikstofoxiden (NOx). De ammoniak  is hoofdzakelijk afkomstig van landbouw, terwijl de stikstofoxiden afkomstig is van verschillende bronnen, met transport, industrie en energie als voornaamste. De depositie veroorzaakt door buitenlandse bronnen maakt ook een belangrijk deel uit van de deposities in Vlaanderen.  Op basis van de analyse van cijfers en trends blijkt dat er de afgelopen decennia betekenisvolle stappen zijn gezet in verband met de problematiek van stikstofemissie via de lucht en de daaraan verbonden deposities. Ook voor de komende decennia zal de trend, in een BAU2030-scenario (op basis van de uitvoering van reeds beslist beleid), neerwaarts blijven. 

Om het effect van die prognose te consolideren en geen achteruitgang te veroorzaken, is het nodig dat de nodige maatregelen worden genomen om de emissiecijfers naar 2030 te garanderen. Daartoe werd voor de sectoren energie, industrie, huishoudens, transport en handel en diensten de emissietaakstelling onder het BAU2030-scenario, vastgeklikt.  Specifiek voor de landbouwsector werd ten opzichte van de doelstelling berekend onder het BAU2030-scenario, een extra generieke reductie opgelegd waardoor in 2025 het emissietotaal van 36,7Kton ammoniak moet bereikt worden.

2. Gebiedsspecifiek beleid: verfijnen van de significantiekaders

Het NOx-significantiekader blijft behouden voor de sectoren industrie, energie en landbouw.  Daarnaast zal een NOx-significantiekader worden ontwikkeld voor de sectoren mobiliteit en handel en diensten.  Het NH3-significantiekader wordt voor wat betreft de significantiedrempel gelijk getrokken met het NOx-significantiekader, namelijk  van 3% naar 5%.  Daarnaast wordt de 30%-reductie verplichting uit de overgangsperiode vervangen door een standstill-benadering, waarbij bedrijven kunnen vergund worden indien ze binnen de bestaande emissies blijven.  Voor de bedrijven die wensen uit te breiden (met verhoging van emissies), zal een individuele passende beoordeling uitsluitsel moeten geven over het feit of de aanvraag leidt tot een significant effect.  Van zodra de gebiedsanalyses klaar zijn, zullen deze mee opgenomen worden in die beoordeling.

3. Flankerend beleid

Het flankerend beleid voor de bedrijven die een bijdrage leveren van minstens 50% aan de kritische depositiewaarde van een habitat (de zogenaamde ‘rode’ bedrijven), wordt onverminderd verder gezet.

Voor de bedrijven die een bijdrage leveren aan de kritische depositiewaarde van een habitat van minstens 5% en minder dan 50%,  werd een inrichtingsnota goedgekeurd op 15 februari 2017, die zal afwijken van het ingestelde flankerend beleid voor de ‘rode’ bedrijven op onderstaande punten:

  • bedrijven die kiezen voor flankerend beleid vragen bedrijfsadvies aan bij een erkend en onafhankelijk expert;
  • het bedrijfsadvies beoordeelt en budgetteert de mogelijke opties waaronder technologische reductie investeringen, heroriëntering en herstructurering;
  • het bedrijfsadvies houdt rekening met de economische, sociale en ecologische componenten;
  • de overheid financiert de voorgestelde optie op basis van het onafhankelijk bedrijfsadvies, en de landbouwer behoudt de keuzevrijheid om een andere optie te kiezen, maar het flankerend beleid betaalt maximaal het bedrag van de voorgestelde optie.

Dit wordt momenteel verder uitgewerkt,  hierover zal binnenkort meer informatie beschikbaar gesteld worden.

4. Herstelbeleid

Het PAS-herstelbeleid wordt  afgestemd op het BAU2030-scenario en wordt ingevuld  onder vorm van een drietrapsmethodiek:  het duurzaam inrichten en beheren van de habitatvlekken momenteel vrij van stikstofbelasting, het gericht inrichten en beheren van de habitatvlakken waarvoor volgens het BAU-scenario in 2030 de kritische depositiewaarde niet meer overschreden wordt en, voor de overige habitatvlekken, die op basis van de gebiedsanalyse, dreigen verloren te gaan of onherroepelijk dreigen aangetast te worden, wordt gericht ingegrepen zodat deze vlekken of zones niet verder verslechteren. 

5. Monitoring

Er wordt nu gewerkt aan een monitoringsplan, waarbij in kaart op welke wijze de monitoring van de PAS op afdoende wijze te kunnen garanderen. Dit monitoringsplan zal, conform de beslissing van de regering, geoperationaliseerd worden in 2018.

De jaarlijkse monitoring die gebeurt door de Vlaamse Milieumaatschappij zal daarbij de basis vormen. Als uit de jaarlijkse monitoring van de VMM zou blijken dat de ammoniakemissies van de landbouwsector zodanig toenemen dat de emissietaakstellingen, zoals opgenomen in punt 8, overschreden gaan worden, neemt de Vlaamse overheid maatregelen om bij te sturen op basis van de in het omgevingsvergunningendecreet en –besluit voorziene bepalingen